Alexander Rinnooy Kan

Bio | Berichten | Achtergrond

D66
  • Email

Ooit geleerd V – Engeland

14/02/2021 By Alexander

Mijn moeder kwam uit Engeland. Daaruit na de oorlog verdreven door een ongelukkige liefdesgeschiedenis, belandde ze bij de British Council in Den Haag. ’s Avonds gaf ze conversatieles voor gevorderden. Dat was van korte duur: haar eerste en laatste klant was mijn vader.

Thuis spraken we Nederlands, een taal die mijn moeder nooit accentloos in de vingers kreeg. Engeland was ons tweede land en werd veelvuldig bezocht. Mijn grootouders woonden in de Londense wijk Putney. Vandaaruit waren alle beroemde bezienswaardigheden (de Horse Guards!) goed bereikbaar per bus (bovenin en vooraan!), trein (elke coupé een eigen deur!) en ondergrondse (lange rammelende roltrappen!). ’s Avonds wachtten flinke koppen thee, trekkerige nylonlakens en een ingewikkelde douche met zeer lage waterdruk. Op hoogtijdagen schonk mijn grootvader een glaasje zelfgeproduceerde, zurige vruchtenwijn. Mijn grootmoeder nam een slokje, keek tevreden uit het raam en zei: ‘I do think British wine is best.’

Aan zelfverzekerdheid heeft het Engeland nooit ontbroken. Veel langer dan Nederland bleef het na de oorlog een armoedig land dat zijn schulden aan Amerika moest afbetalen en zijn wereldrijk moest ombouwen tot gemenebest. Maar in 1965, toen ik een paar maanden op een Engelse school zat in Birmingham, keek de vader van mijn gastgezin al even tevreden uit het raam, trok aan zijn pijp en  zei zonder enige onderbouwing: ‘British technology is still the best in the world.’

In Birmingham kreeg ik les op een Grammar School for Boys, gevestigd in een victoriaans gebouw dat was opgetrokken uit rode baksteen. Elke dag wandelde ik erheen met de geur van bruinkool en herfstbladeren in de neusgaten, gestoken in een heus schooluniform (inclusief schoolpetje). De Headmaster opende de dag met een strenge Bijbellezing en had als enige leraar in Oxbridge gestudeerd. Wie van zijn leerlingen hoge cijfers haalde mocht ook proberen daar een academische scholing in de wacht te slepen, maar de kansen waren klein: de klassenmaatschappij die Engeland was en is, tekende zich al duidelijk af op de middelbare school. In taalgebruik en accent, in kleding en tafelmanieren: de afstand tussen upstairs en downstairs was nauwelijks te overbruggen. 

Wel kregen alle leerlingen een degelijke basis bijgebracht: de geografie van het langgerekte, groene eiland, de geschiedenis van de hardnekkige democratie, en vooral het lezen en schrijven van de moedertaal. Er is geen substituut voor een onderdompeling in de grote literatuur, voor het uit het hoofd leren van Shakespeare en Tennyson. De Engelse taal heeft voor mij een emotionele lading gekregen die het Nederlands bijna geheel ontbeert.

Tot grote teleurstelling van mijn Birminghamse gastgezin verloor Edward Heath de verkiezingen van Harold Wilson. De Labour Party en de achterliggende vakbeweging hernamen hun ijzeren greep op Engeland, zozeer zelfs dat mijn Engelse grootmoeder, Labour-lid van het eerste uur, aarzelde of ze toch maar niet op de partij-rebel Roy Jenkins zou gaan stemmen. Ze heeft het niet gedaan, en het was ook niet nodig. Margaret Thatcher zou na de Argentijnen ook de mijnwerkers verslaan en de jaren van Cool Britannia inluiden. London werd opnieuw een onweerstaanbare stad, en de woonwijk van mijn grootmoeder werd het domein van modewinkeltjes, bistro’s en investment bankers op huizenjacht.

Terugkerend naar Londen in de jaren negentig kreeg ik vooral met laatstgenoemde groep te maken. ing had de gefailleerde Barings Bank overgenomen, en ik kreeg Baring Asset Management onder mijn hoede. Ik werd er met opgetrokken wenkbrauwen begroet. Natuurlijk, de Britten waren opgelucht over de geslaagde reddingspoging, maar de nieuwe Nederlandse eigenaren moesten niet de illusie koesteren daaraan al te veel rechten te kunnen ontlenen. Beter bleef alles bij het oude, inclusief de naar Nederlandse maatstaven astronomische bonussen die een flink deel van de winst afroomden.

De omgang met deze nieuwe variant op het aloude Engelse zelfvertrouwen viel ing en mijzelf niet mee en het Engelse avontuur kende dan ook een allesbehalve gelukkig einde. Grotendeels bleef dat onopgemerkt; de zaken gingen elders in Londen uitstekend. Het compromisloze liberalisme van Margaret Thatcher vond een natuurlijke inbedding in de Londense City, waar keihard werkende bankiers en advocaten zich de enige serieuze concurrenten waanden van Wall Street en zich uitstekend lieten betalen voor het verkennen van de grenzen van het kapitalisme. Wonen in de stad werd intussen onbetaalbaar. Mijn Engelse familie incasseerde de enorme winst op het kleine huisje van mijn grootmoeder en trok zich terug naar overig Engeland, waar de publieke armoede toenam naarmate de private rijkdom in de hoofdstad groeide, mede gevoed door een instroom van ongure Russische miljardairs.

Betrokkenheid bij Europa werd voor Engeland geleidelijk meer een onaangename last dan de economische onvermijdelijkheid die Edward Heath daar ooit in had gezien, zeker toen Labour onder Tony Blair zich neer leek te leggen bij de groeiende inkomensverschillen en vooral invulling wilde geven aan de felbegeerde special relationship met de Verenigde Staten. Voor Nederland resteerde een jaarlijkse informele conferentie, waar Nederlanders en Engelsen zich bogen over interessante verschillen tussen hun landen in een poging daar beide wat van op te steken. Ik werd voorzitter en stelde met mijn Engelse collega vast dat de verschillen met het verstrijken van de tijd wel interessant bleven, maar zeker niet kleiner werden.

Tot ons beider ontzetting kwam het onder David Cameron tot een Brexit-referendum, dat vervolgens tot ons beider verrassing door de Remainers werd verloren. Daarmee is een cirkel gesloten: zoals zo vaak in zijn geschiedenis denkt Engeland beter af te kunnen zijn door te profiteren van Europese spanningen dan door bij te dragen aan Europese eenheid. Voor een groot deel van de maatschappelijke elite past dat in de traditie van politiek als een spel dat hoogstens leidt tot kleine machtsverschuivingen binnen eigen kring. Maar de buffer van het voormalige wereldrijk is inmiddels weggevallen en kan het geïsoleerde Engeland niet meer beschermen tegen het economische geweld dat oprukt uit Azië en het voormalige Empire where the sun never sets hard gaat treffen.

Keep calm and carry on. Jaar na jaar luisterden wij naar de Last Night of the Proms, met elke keer als afronding een fortissimovertolking van het achttiende-eeuwse ‘Rule Britannia’. De slotregel van het refrein, uit volle borst meegezongen door de gehele Albert Hall, vat de Britse zelfverzekerdheid mooi samen: ‘Britons never, never, never shall be slaves!’ Maar al het daarop volgende oorverdovende gejuich en al het vlaggengezwaai kunnen mijn vrees niet verhelpen dat mijn tweede land, in ruil voor dit gedateerde sentiment, het meesterschap over de eigen toekomst inmiddels geheel heeft prijsgegeven. 

Filed Under: Uncategorized

Ooit geleerd IV – Universiteit

14/02/2021 By Alexander

Universiteiten kunnen tegen een stootje; ze behoren tot de taaiste instituties van Europa. Een enkele komt en gaat – Harderwijk, Franeker – maar de meeste overleven van eeuw tot eeuw, Bologna (uit 1088) voorop. Kennelijk voorzien ze in een fundamentele behoefte. Kennis vergaren en verspreiden, kennis verdiepen en doorgeven van generatie naar generatie: het is de menselijke soort op zijn best en op zijn aardigst. De inwoners van Leiden hoefden niet lang na te denken toen ze mochten kiezen tussen een universiteit en een paar jaar belastingvrijstelling. Een universiteit doet iets voor een stad, een land, een continent. 

Continuïteit staat er hoog in het vaandel. Op een voldoende abstractieniveau bezien zijn universiteiten dan ook nauwelijks veranderd. Ze hebben allemaal klagende faculteiten, ongezeglijke studenten, parmantige hoogleraren, en matig onderhouden collegezalen. En ze worden allemaal bestuurd door een rector magnificus, met een ambtsketen voor de hoogtijdagen. 

Maar op een iets lager abstractieniveau is er juist wel sprake van permanent gedoe. Universiteiten willen waardering, rust en onafhankelijkheid. Dat is een veeleisend drietal. Vooral de onafhankelijkheid moet het vaak ontgelden: de financierende overheid is er niet dol op en de studenten vertrouwen het niet. Zodoende is er dan ook bijna altijd geldtekort, en aanhoudend gezeur over wie waarover eigenlijk de baas is.

Mijn eigen studie viel samen met de grote studentenrevolutie van 1968 in Parijs, met als meest aansprekende leus: “Wees realistisch: eis het onmogelijke!”. In dat laatste zijn de Parijse actievoerders uitstekend geslaagd.  Nadat De Gaulle – met, zoals pas onlangs bleek, steun van Moskou – erin geslaagd was de studenten en hun communistische vrienden weer in het gareel te meppen, namen vele andere universiteiten, waaronder de Nederlandse, de fakkel met graagte over van de Franse hervormers. Al spoedig leidde dat tot de Wet Universitaire Bestuurshervorming van minister Veringa, waarin de roep om democratisering vakkundig was getransformeerd in een barok stelsel van inspraak en medezeggenschap dat de voormalige actievoerders bedolf onder hoge stapels geduldig papier. 

Het was dit stelsel dat ik aantrof in 1986 als nieuw benoemde rector van de Erasmus Universiteit, aan de vooravond van een grote universitaire bezuinigingsronde. De studenten – altijd al de ijverigste – ervoeren de rituelen van faculteits- en universiteitsraad inmiddels als een nuttig en leerzaam practicum politiek. De stafleden – niet altijd de briljantste – hadden nogal eens een rekening te vereffenen of schreven er ter plekke een uit. Toen de bezuinigingen toesloegen onder leiding van minister Deetman en zijn gevreesde secondant Roel in ‘t Veld, bleek Rotterdam beroofd te dreigen worden van drie van zijn acht studierichtingen. Dat sloot alle universitaire rijen. Tergelijkertijd onderstreepte het tafereel van de wanhopig spartelende universiteiten nog eens hun pijnlijke afhankelijkheid van de publieke geldschieter.

Uit dat besef werd het idee van de “ondernemende universiteit” geboren. Die achteraf ongelukkige naamgeving voedde het hardnekkige misverstand dat de voorstanders van deze gedachte de universiteit wilden inrichten als een op winst gerichte onderneming. Niets was minder waar. Universitaire ondernemendheid verwees naar de wenselijkheid van een scherpe inhoudelijke profilering, met ruimte voor kostendekkende collegegelden die via beurzen en studieleningen gefinancierd zouden gaan worden. De ondernemende universiteit zou zo passend beloond kunnen worden voor excellentie in onderzoek én in onderwijs.

In de tussenliggende jaren is differentiatie tussen universiteiten een nieuw geloofsartikel geworden, maar de waardering voor dit gedachtegoed was in de jaren tachtig ver te zoeken. Het toeval wilde dat het idee, inclusief de naam, gelijktijdig in Rotterdam en Twente was ontstaan. Het werd noch mij, noch de Twentse rector Harry van den Kroonenberg in veel dank afgenomen en leverde een matige erfenis op. Nog jarenlang zouden de Nederlandse universiteiten blijven inleveren op de bekostiging van hun onderwijsinspanningen. De medezeggenschap bleef, maar werd in toenemende mate gemodelleerd naar analogie van de wet op de ondernemingsraden, met een vergelijkbaar gebrek aan belangstelling bij de vertegenwoordigden. 

Ideaal is het allemaal niet. En toch hebben de Nederlandse universiteiten het er niet slecht afgebracht. Geen enkel ander land kan erop prat gaan met al zijn universiteiten te behoren bij de toptweehonderd van de prestigieuze Shanghai ranking, zij het met geen van alle bij de topvijftig; de nog steeds geringe onderlinge verschillen in Nederland verklaren zowel het eerste als het laatste. Nederlandse onderzoekers genieten internationaal aanzien, en slepen aanzienlijk meer in de wacht aan Europese subsidies dan Nederland daarin investeert. Bovendien zijn Nederlandse gepromoveerden bijzonder in trek bij buitenlandse universiteiten, omdat zij hun vakgebied goed beheersen, en – nog uitzonderlijker – altijd bereid zijn om hun ideeën royaal te delen en samen te werken met anderen: het polder-dna op zijn best.

Mijn serieuze loopbaan begon aan de Erasmus Universiteit en eindigde aan de Universiteit van Amsterdam. De energieke zakelijkheid van de eerste, de feestelijke anarchie van de tweede: geen twee Nederlandse universiteiten zijn helemaal gelijk. Internationaal is het al niet anders: geen universiteit zo bureaucratisch als het ondernemende MIT, geen universiteit zo rebels als de Californische staatsinstelling in Berkeley. En toch kost het niet veel moeite in al deze verschijningsvormen het gezamenlijke te ontdekken. Het is de gedeelde toewijding aan kennis, aan het proces dat tot kennisontwikkeling en kennisoverdracht leidt. Een enkele keer leidt dat tot Nobelprijzen, eredoctoraten en klaroengeschal. Maar verreweg de meeste vooruitgang tekent zich af in minuscule stapjes, afgewisseld door een enkel sprongetje en een schaars uitglijertje. Achter de bewonderende blik van de buitenwereld gaat een wereld schuil, waarin de vreugde van het inzicht het gevolg is van heel veel kleine doorbraken. 

Is er een goede reden om de Nederlandse universiteiten weer een bestuurlijke hervorming toe te wensen? Ik betwijfel het. Hun positie is van oudsher zowel hopeloos als ongenaakbaar. Hoogstens zou hen moeten worden toegewenst om de spectaculaire schaalvergroting van de laatste vijftig jaar te zien voor wat hij is: een handicap. Van duizend jaar universiteit valt vooral te leren dat de meerwaarde van een werkelijk academische gemeenschap niet tot stand komt in massale collegezalen en natuurlijk al helemaal niet via het anonieme internet. Topinstellingen zijn meestal kleine instellingen, en waar ze groter zijn organiseren zij zich om schaalverkleining te stimuleren of te simuleren. De Nederlandse universiteiten zou een realistische kans moeten worden gegund om die route af te leggen. Is dat naar de Parijse norm van 1968 een onmogelijke eis?

Filed Under: Uncategorized

Ooit geleerd III – Encyclopedieën

06/12/2020 By Alexander

De Winkler Prins encyclopedie stond onderin de boekenkast van mijn ouders: tien kloeke delen. Het doorbladeren leverde vele gelukkige uren op – de encyclopedie was een feestelijke toegangspoort tot het universum van de kennis. Zo maakte ik bijvoorbeeld in het allerlaatste artikel van het eerste deel (“A – BEENZW”) kennis met het ‘beenzwart’, fijngemalen menselijk bot, dat als pigment een rol speelt in de bietsuikerfabricage; dat zette mij op een voorsprong toen de Libris prijs in 1995 toegekend werd aan de roman Gewassen vlees, die handelde over precies zo’n fabrikant. Maar al heel jong had ik een gevoel van argwaan als ik de beperkte alfabetische reikwijdte van dat eerste deel – iets meer dan één letter – vergeleek met die van het tiende: “TRAP – ZIJZW”! En de wel zeer summiere behandeling van het ‘zijzwemmen’ versterkte mijn achterdocht: hier was slecht gepland. 

Vele jaren later had ik reden om aan die argwaan terug te denken, toen ik in 1972, net afgestudeerd en op zoek naar een eerste baan, werd aangesteld als redacteur wiskunde van de Spectrum Encyclopedie in wording. Dit ambitieuze project – het vanaf de grond opbouwen van een splinternieuwe Nederlandse encyclopedie – sprak tot veler verbeelding. Het viel binnen de VNU onder de verantwoordelijkheid van Mari Pijnenborg, en was gebaseerd op diens overtuiging dat de Winkler Prins een serieuzer concurrent verdiende dan de saaie Grote Oosthoek en de wonderlijk gestructureerde ENSIE. Als hoofdredacteur had Pijnenborg zijn oog laten vallen op Hans Gruijters, die zich net met veel rumoer had teruggetrokken uit de provinciale politiek. Achteraf bezien was dat geen gelukkige keuze. 

De Spectrum Encyclopedie was gevestigd in de Nieuwe Spiegelstraat in Amsterdam, en zou een flinke vuurproef worden voor een uitgever die zijn bekendheid vooral ontleende aan grote hoeveelheden scherp geprijsde Prisma pockets. Gruijters spiegelde zich als hoofdredacteur aan zijn grote voorganger, de negentiende-eeuwse predikant Anthony Winkler Prins, die de eerste editie van zijn encyclopedie vrijwel geheel eigenhandig had volgeschreven. Gruijters was van mening dat een vaardige, niet per se grote redactie daartoe nog steeds in staat zou moeten zijn. Hij trok een aantal jonge redacteuren aan en moedigde hen aan zo snel mogelijk te gaan schrijven. 

Het was een bont gezelschap. Naast de gebroeders Vuijsje en Midas Dekkers was de meest opvallende redacteur mijn collega proximus bij de natuurkunde Michel Korzec, de oprichter van Dolle Mina, die aan zijn Poolse herkomst een cynisch beeld had overgehouden van gezagsdragers in alle verschijningsvormen. De kwetsbaarheid van de formule van Gruijters werd door hem al vroeg vermoed en indringend onder mijn aandacht gebracht. Ik liet mij daardoor niet afschrikken, verdeelde de wiskunde in een aantal grote en kleine hoofdstukken (daarbij af en toe even spiekend in een van de vele concurrerende encyclopedieën die de uitgever had laten aanrukken) en begon aan mijn allereerste artikel (‘algebra’). 

Geleidelijk aan werd het megalomane karakter van het project duidelijker en duidelijker. Anders dan bij de verguisde rivalen zou er bij de Spectrum Encyclopedie pas echt geschreven gaan worden als de gehele inhoud gepland zou zijn, en daarbij bleek al gauw dat de voorziene twintig delen (los van de vier indexdelen, waarin de kleinere weetjes zouden belanden) voor de op dat moment beschikbare redactie een meer dan een volledige levenstaak zouden opleveren. Gruijters liet zich daardoor niet afschrikken, alleen al doordat zijn aanwezigheid aan de Nieuwe Spiegelstraat een sporadisch karakter had. Dat bood de redactie alle ruimte om in vrijheid en ongebondenheid het plan voor de ‘Nederlandse Britannica’ verder uit te werken, en daarbij ook de visualisatie niet te verwaarlozen. Daarvoor was de Britse firma Mitchell Beazley aangetrokken (later vooral bekend geworden door The Joy of Sex) die het peperdure beeldmateriaal ontwikkelde voor de VNU in de hoop daarvoor ook in andere landen klandizie te vinden, iets wat uiteindelijk naar verluidt alleen in de bescheiden Finse markt zou lukken. 

Deze Londense connectie maakte veelvuldig redactiebezoek aan de Engelse hoofdstad onvermijdelijk. Zelf dankte ik daaraan mijn allereerste dienstreis, en nog herinner ik mij de betoverende ervaring om geheel op andermans kosten vliegtuig en hotel te betreden. Barbara, de redactiesecretaresse, voorzag mij van een envelopje met wat Engelse muntjes, en niet lang daarna besprak ik in Londen de mij voor ogen staande fraaie visualisatie van de algebra die door een besnorde Mitchell Beazley medewerker onberispelijk zou worden gerealiseerd.

Een zekere onrust begon zich inmiddels van de redactie meester te maken. Aan grootschalige capaciteitsuitbreiding zou niet zijn te ontkomen, dat werd steeds duidelijker. Uiteindelijk zou de encyclopedie dan ook worden volgeschreven door honderden auteurs, ondersteund door tientallen adviseurs. Kwalitatief werd het een voortreffelijke prestatie; commercieel een regelrechte ramp. Het Spectrum had zijn hoop gevestigd op veertig geroutineerde huis-aan-huis verkopers (‘mannen met stalen (schoen)neuzen’), die geacht werden jonge ouders aan de huisdeur te overtuigen van de onmisbare bijdrage die de encyclopedie zou leveren aan de maatschappelijke kansen van hun kinderen. De totaalprijs van 2500 gulden kon worden voldaan in zestig maandelijkse termijnen van 60 gulden, een voor beide partijen verleidelijke regeling. Desalniettemin viel de verkoop tegen. Tot een tweede druk is het nooit gekomen, al helemaal niet toen cd-rom en dvd als voorlopers van Wikipedia in de jaren negentig de markt voor gedrukte encyclopedieën geheel torpedeerden. Zelfs de klassieke Britannica zou daaraan bezwijken.

Ik was toen, na alle wiskundeartikelen met een a te hebben afgeschreven, allang weer vertrokken naar een promotieonderzoek in Delft, en ook Gruijters zou, teruggekeerd in de politiek, de ontknoping niet meer meemaken. Toch ben ik vast niet de enige redacteur die met enige weemoed terugdenkt aan aan zijn leiderschap, zoals zich dat vooral treffend manifesteerde op vrijdagmorgen. Gruijters nodigde dan de gehele redactie uit voor een vroeg bezoek aan het café, een sector waarin hij als eigenaar van drie Amsterdamse uitspanningen kind aan huis was. Onder aanvoering van onze hoofdredacteur beproefden wij zo verschillende van zijn concurrenten, met als hoogtepunt een bezoek aan een onschuldig ogende woning in Amsterdam Zuid, waarvan de eigenares pas na langdurig aanbellen het raampje in de deur opende. Haar vermoeide oogopslag kantelde als bij toverslag naar vreugdevolle verwachting op het moment dat zij Gruijters herkende. Niet veel later maakte ik kennis met het verwoestende effect van enige glaasjes vieux op de redactionele concentratie en productiviteit.

De encyclopedie is een relict. De alsmaar doorgroeiende kennis is zelfs binnen Wikipedia nauwelijks bij te houden. De achttiende-eeuwse gedachte om alle menselijke kennis te ordenen en in boekvorm uit te geven is genadeloos en onherroepelijk ingehaald door de tijd. Al met al was het oorspronkelijke plan van Gruijters een laatste stuiptrekking van het oude regime, waarvan hij zelf de betrekkelijkheid onderkende. “Het enige echt nuttige wat ik ooit aan de universiteit geleerd heb,” zo vertrouwde hij mij eens toe, “is boekhouden.”

Filed Under: Uncategorized

Ooit geleerd II – Innovatie

06/12/2020 By Alexander

Innovatie is nuttig en nodig. Het is ook lastig. Lastig om te bedenken, lastig om uit te voeren – en al helemaal lastig om te organiseren dat anderen dat doen. In dat laatste schuilt het dilemma van innovatiebeleid. Wie ervoor verantwoordelijk is weet één ding zeker: hij kan het zelf niet. Ambtenaar noch politicus verzinnen ooit zelf a better mousetrap. Maar voor het land dat ze dienen is het van levensbelang dat anderen dat wel doen.

Over hoe dat te organiseren bestaan twee opvattingen. De eerste bepleit om ruimschoots overheidsmiddelen beschikbaar te stellen zonder veel voorwaarden vooraf: aan universiteiten en hogescholen, aan laboratoria, aan bedrijven, aan allerlei stichtingen. Aldaar aanwezige vernieuwers worden slim genoeg geacht om dat geld vervolgens in te zetten voor projecten die wetenschappelijk, maatschappelijk en het liefst ook financieel wat opleveren. Althans, dat is de hoop. Afwachten dus maar. 

    De tweede opvatting luidt dat overheidsmeedenken over de besteding van de innovatiemiddelen  juist wel valt te rechtvaardigden. Sterker, het is ronduit verstandig. Immers, wie betaalt bepaalt: veel geld voor zonne-energie, bijvoorbeeld, minder geld voor kernenergie, en geen geld voor onverstandige zaken als homeopathie. Of andersom. 

De meeste landen houden het veiligheidshalve op een combinatie van deze twee opvattingen. Maar het is niet overdreven om te stellen dat in de samenstelling van die mix een slingerbeweging is waar te nemen. Dat komt doordat vroeger of later er altijd wel iets helemaal misgaat bij een door de overheid met kracht geselecteerde besteding. Daar wordt dan door de aanhangers van de laissez faire opvatting graag en vaak naar verwezen, met teksten waar het woord ‘markt’ veelvuldig in voorkomt.

Voor Nederland is het canonieke voorbeeld van zo’n mislukking de vergeefse poging van de overheid om het rsv-concern, een fusie van de Rijn-Schelde-combinatie en de Verolme Verenigde Scheepswerven, in leven te houden. Ontstaan tijdens de economische crisis van 1971, kon het concern de als altijd ‘moordende’ kostenconcurrentie met Japan en Zuid-Korea al gauw niet meer volhouden en vluchtte het in rampzalige vernieuwingen, zoals Algerijnse energiecentrales en Amerikaanse kolengraafmachines. De geringe sympathie voor Verolme (waar mijn vader zich als betrokken ambtenaar op het ministerie van Financiën al eerder over had verbaasd) leidde tot een roemloos faillissement in 1983, waar de Nederlandse overheid ruim 2 miljard gulden bij zou inschieten – dat was toen een heel bedrag.

Nog vele jaren daarna was alleen al het noemen van de afkorting rsv voldoende om elke gerichte betrokkenheid van de overheid bij economische innovatie in de kiem te smoren. Fiscale regelingen bevorderden elke private vorm van innovatie volstrekt gelijkelijk, en echte overheidsbemoeienis beperkte zich tot het ondersteunen van enkele wetenschappelijke projecten. Zo zwaaide de slinger verder en verder weg van overheidsbemoeienis met innovatie. Dat zou duren tot 2003. Toen kwam het Innovatieplatform. 

Vooraf daaraan ging een voor Nederland pijnlijk Deens succesverhaal. Aanvankelijk leek de wereldwijde opkomst van de windmolen als bron van alternatieve energie een kans op te leveren voor wat sinds mensenheugenis een Nederlands specialisme was. Maar een diepte-investering van de Deense overheid bezorgde dat land op de wereldmarkt voor windmolens een blijvende voorsprong. In Nederland werd dat ervaren als een nederlaag die vermeden had moeten worden.

Minister-president Balkenende had zich toen al langer met vele anderen verbaasd over wat wel de ‘Europese innovatieparadox’ werd genoemd: veel slimme ideeën, weinig patenten, nog minder commerciële successen. En net als vele andere Europese leiders dacht hij met een breed samengesteld adviesplatform wel iets voor de natie te kunnen bereiken. Als ser-voorzitter maakte ik deel uit van dat Innovatieplatform, tezamen met een rijke variatie aan deskundigen, van Robbert Dijkgraaf tot en met Feike Sijbesma. Het kreeg een ruime opdracht en een secretaris, Frans Nauta, die na zijn vertrek nog goede sier zou maken met een in azijn geschreven verslag van zijn werkzaamheden. 

Al vrij vroeg besloot het Innovatieplatform de slinger van het innovatiebeleid een duw terug te geven in de richting van meer overheidsbemoeienis. De tijd was rijp. Maar dat kan nog op twee manieren: backing the winners (overheidssteun voor wat goed is en goed moet blijven) of backing the losers (overheidssteun voor wat slecht is en goed moet worden). Het rsv-fiasco was een goed voorbeeld van dat laatste. Het Platform koos dan ook voor het eerste en kwam na een – letterlijk en figuurlijk – uitputtende sollicitatieronde tot acht sleutelgebieden, van voor de hand liggende reuzen als water, bloemen en voedsel tot aan een relatieve nieuwkomer als de creatieve industrie. Ten tijde van een volgend kabinet zou een iets uitgebreidere lijst van topsectoren worden opgesteld, die van honderden miljoenen gerichte staatssteun werden voorzien, deels afgepakt van de tevergeefs tegenstribbelende wetenschap. De slinger was weer geheel terug aan de overheidskant. Het Platform was toen overigens alweer opgedoekt, na een slotbezoek aan Singapore waar de slinger die kant nooit bleek te hebben verlaten. En dat met spectaculair succes. 

Voor het Innovatieplatform bleef de waardering echter zeer beperkt. De media leken de altijd goed gemutste minister-president niet echt een succesje te gunnen, en de politiek sloot zich daar graag bij aan. Vele malen heb ik aan critici gevraagd wat zij meenden dat het platform dan wél zou moeten doen. Van de na enige aarzeling geproduceerde lijstjes bleek het platform dan zonder enige uitzondering alle onderdelen allang te hebben afgehandeld. Veel verschil maakte dat niet voor de uiteindelijke appreciatie. 

In alle objectiviteit: wat heeft het Innovatieplatform nu echt bereikt? Vreemd genoeg is daar niet veel over te zeggen. Overheden als de Nederlandse, die zich graag beroepen op evaluaties in alle maten en soorten, blijken opvallend terughoudend in het ophalen van een oordeel over hun inspanningen op terreinen als wetenschap, kennis en innovatie. Slecht doet Nederland het zeker niet, al loopt bijvoorbeeld de onderwijskwaliteit er de laatste jaren behoorlijk terug. Wel wordt sinds jaar en dag vastgesteld dat de Nederlandse publieke en private uitgaven op de drie voornoemde terreinen al heel lang achterlopen op die in veel omringende Europese landen, met Scandinavië (waaronder de Denen met hun windmolens) voorop. In 2005 nam de Tweede Kamer desondanks unaniem een motie aan, ingediend door de huidige ser-voorzitter Mariëtte Hamer, dat Nederland een topkenniseconomie zou moeten worden. Daar bleef het bij. 

Niettegenstaande deze povere financiering is Nederland toch al vele jaren niet weg te slaan uit de top-tien van de Global Competitiveness Index, de ultieme toets voor economisch succes. Daar kunnen de Verenigde Staten een puntje aan zuigen, en China al helemaal. Misschien is wat deze kwestie betreft het traditionele zuinige koopmanschap dan toch geen slechte raadgever, en had de motie-Hamer de goede toonzetting te pakken. 

Eén ding is echter zeker: een echt verspeelde nationale positie in de wereld van de kennis laat zich maar heel langzaam weer herstellen – de doorlooptijd is minstens tien jaar. Riskant is de Nederlandse aanpak dus zeker. En verder is het wachten nu weer op een flinke mislukking, die de rsv van een waardige opvolger zal voorzien en de slinger van het innovatiebeleid opnieuw de andere kant zal opjagen. Wie weet zal het Wopke-Wiebes fonds daar te zijner tijd in willen voorzien. 

Filed Under: Uncategorized

Ooit geleerd I – Staatsbezoeken

06/12/2020 By Alexander

Een staatsbezoek biedt kansen. De regerende vorst mag maar één keer naar elk bevriend land en omgekeerd: daar moet wat bijzonders van gemaakt worden.

Er hoort natuurlijk pracht bij, en praal. Het bezoekende staatshoofd logeert op de Dam – naar verluidt onder tijdelijke stillegging van de slaapverstorende tramlijn – en dineert in de magnifieke Burgerzaal. Grote aantallen lakeien – naar verluidt marechaussees in vermomming – serveren daar sobere Hollandse gerechten en laten zich aansturen door groene aan-uitlampjes in de uithoeken van het plafond. De mannelijke gasten hullen zich in onwennige rokkostuums. Ooit moest een genodigde op het laatste moment afzeggen toen zijn gehuurde broek slechts bleek te reiken tot net onder de knie.

Pracht en praal dus – de rode loper, de erewacht, de volksliederen, gejuich en gewuif. Maar tegelijkertijd richt het staatsbezoek de schijnwerpers op het bezoekende land, vrijwel altijd een ‘eeuwenoude handelsrelatie’ van Nederland. De verleiding om die relatie te gelde te maken, is onweerstaanbaar. Zo komt het vaak voor dat een handelsdelegatie meereist in het voetspoor van het staatshoofd (dan wel minister of minister-president), in de hoop van alle grandeur en gravitas te profiteren. 

Dat is vaak verrassend effectief. Een zich al te lang voortslepende onderhandeling, een moeizame vergunningsprocedure, een aanbesteding die spaak loopt: de beschikbaarheid van twee minzaam glimlachende hoogwaardigheidsbekleders voor een feestelijke groepsfoto kan net het verschil maken. Dan kan het succes van het bezoek niet alleen worden afgelezen aan de publieke belangstelling voor de rijtoer en de uitdossing van de staatshoofden en hun entourage, maar ook aan de optelsom van de getekende contracten, de Memoranda of Understanding en de Letters of Intent. 

Voor het lidmaatschap van de handelsdelegatie is dan ook veel belangstelling. En omdat het voorzitterschap ervan natuurlijkerwijs toekomt aan de voorzitter van vno-ncw, heb ik een aantal bezoeken meegemaakt die het bovenstaande goed illustreren.

Hoogtepunt was zonder enige twijfel het staatsbezoek dat koningin Beatrix bracht aan Japan in 1991: economisch evident belangrijk, historisch evident gevoelig. Zij had een uitstekende relatie met het Japanse keizerlijke echtpaar en van het bezoek werd veel verwacht. Een, zoals dat heet, ‘topzware’ delegatie vergezelde de koningin. De Japanners stelden hun markt destijds nog maar zeer beperkt open voor importen uit Nederland, nota bene hun alleroudste handelspartner. Er viel dus veel te verbeteren. 

Mijn beleefdheidsbezoek aan de Keidanren, het Japanse vno-ncw, stemde hoopvol, zij het dat de vijfenzeventigplussers die daar het bestuur vormden de relatief jonge voorzitter uit Nederland nogal eens verwarden met diens oudere begeleider en de neiging hadden af en toe even weg te dommelen. Tijdens het omkleden voor het staatsbanket maakte ik voor het eerst kennis met een ander staatsbezoekritueel, het uitwisselen der onderscheidingen: een ober klopte aan met een dienblad waarop zich een torenhoge Japanse decoratie bevond. Toen ik het ornament in de lift toonde aan minister (Koos) Andriessen, wees die nonchalant op het hem zojuist omgehangen lint: zijn negende in korte tijd, zo vertrouwde hij me toe.

Het staatsbanket – Frans eten, vreemd genoeg, in het ook al Frans ingerichte keizerlijke paleis – verliep goed, zij het dat de leden van de kleine Nederlandse delegatie alle omringd waren door zeer verlegen en weinig spraakzame Japanse dames in overigens schitterende zijden kimono’s. Tot onze vreugde speelde een compleet symfonieorkest onder het eten Japanse bewerkingen van Nederlandse kinderliedjes, met als hoogtepunt het ‘In naam van Oranje, doe open de poort’, een thema dat naadloos aansloot bij onze handelsbesprekingen. Na afloop kon minister Andriessen de verleiding niet weerstaan om een paar Havana’s met een keizerlijk sigarenbandje als aandenken mee te smokkelen.

Maar het hoogtepunt was zonder twijfel de receptie in het Okura Hotel na het optreden van het Concertgebouworkest – de koningin hechtte aan een serieus cultureel tegengebaar. Daar nam koningin Beatrix de keizer bij de arm en voerde hem en zijn echtgenote, tot ontzetting van de Japanse hofhouding, langs alle Nederlandse aanwezigen en hun totaal overdonderde Japanse gasten. Wie de Japanse verhoudingen kent, begrijpt dat de daarvan in allerijl genomen foto’s in Japan nog vele jaren als sacrale souvenirs werden gekoesterd. Ook ik mocht met de keizer kennismaken. Na een net iets te lange gespreksstilte vertelde hij dat zijn oom net als ik wiskunde had gestudeerd, om daar na enig nadenken aan toe te voegen: ‘Maar die is al vijfenveertig jaar dood.’

Het mocht de pret niet drukken. De koningin, die anders dan haar opvolger het bedrijfsleven niet vanzelfsprekend een hoofdrol gunde, werd nu ter plekke uitgeroepen tot de Zakenvrouw van het Jaar. En niet lang daarna was Japan bereid om een Japanse douanier de Nederlandse exportbloemen al op Schiphol te laten toetsen op onwelkom ongedierte, in plaats van de hele partij in Tokio af te keuren op basis van een enkel bladluisje.

Staatsbezoeken kunnen ook wel eens wat moeizamer verlopen. Enige jaren na het bezoek aan Japan bezocht een vergelijkbaar gezelschap Indonesië en raakte verstrikt in de viering van de vijftigjarige Indonesische onafhankelijkheid, door Indonesië op begrijpelijke gronden vier jaar eerder gesitueerd dan door Nederland. De stemming was aanvankelijk koeltjes, de publieke belangstelling beperkt, en de koningin zat ruim een half uur in de wachtkamer van de Indonesische president, hetgeen haar begrijpelijkerwijs slecht beviel. Maar rond het staatsbanket was de stemming omgeslagen en een paar kopstukken uit het Nederlandse bedrijfsleven wilden daar bij nader inzien graag bij aanschuiven. Na enige aarzeling werden daartoe een paar plaatsen afgestaan door leden van de hofdelegatie, maar in de aangepaste tafelschikking belandden de drie president-directeuren tot hun zichtbare ongenoegen aan het uiterste ondereinde van de zeer lange tafels, geheel omringd door Indonesische militairen van lage rang.

Zo waren er vele andere gelegenheden. Een lange reis door Vietnam en China bijvoorbeeld, waar de delegatieleider Wim Kok zo werd geprezen door alle gastheren dat hem door de delegatie de erenaam ‘Kim Wok’ werd toegekend. Dichter bij huis waren er vele succesvolle uitstapjes naar de landen in en rond Europa. Veel van de traditionele contacten tussen staten worden inmiddels gedigitaliseerd, maar deze klassieke vorm met veel recepties en handenschudderij houdt vast ook na de coronacrisis nog stand. Keer op keer blijkt het commerciële instinct diepgeworteld in de Nederlandse genen; overal ter wereld zijn Nederlanders actief in de aan- en verkoop, en melden ze zich gretig aan bij een voorbijtrekkende delegatie om een aanbevelinkje te vragen en een visitekaartje te deponeren. En zelfs als de erewacht ooit wordt gerobotiseerd (een alleszins kansrijk project), dan nog zal de rode loper mogelijkheden bieden die Nederlanders niet onbenut zullen willen laten.

Filed Under: Uncategorized

  • « Previous Page
  • 1
  • …
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • …
  • 19
  • Next Page »