Alexander Rinnooy Kan

Bio | Berichten | Achtergrond

D66
  • Email

Ooit geleerd XIV – Diversiteit

12/09/2022 By Alexander

Diversiteit is geen nieuw onderwerp. Al heel lang wordt geconstateerd dat volstrekt irrelevante kenmerken – geslacht en huidskleur voorop – een rol spelen bij het toekennen van maatschappelijke kansen. Discriminatie is een zeer hardnekkig kwaad, dat ook na onderkenning lang niet vanzelf verdwijnt. Dat betreuren is stap één. Dat bestrijden, stap twee, is een flinke opgave.

Mijn eerste kennismaking met diversiteit (of juist het ontbreken ervan) had ik tijdens mijn wiskundestudie in Leiden, waar meisjes met een lantaarntje te zoeken waren. Het imago van de sociaal onbeholpen wiskundige kan daartoe hebben bijgedragen – een goed cijfer voor wiskunde strekte jongens noch meisjes tot aanbeveling rond de dansvloer. Systematische verschillen in talent waren er echter absoluut niet. Dat zou een rode draad worden: een gebrek aan diversiteit is nooit objectief te verklaren, laat staan te rechtvaardigen. Toch is de vooruitgang zeer traag. 

Gelijke kansen voor mannen en vrouwen is een van de oudste voorbeelden; geen land ter wereld kan aan die opgave ontsnappen. Ik bewaar een frustrerende herinnering aan mijn pogingen om eraan bij te dragen toen ik bij ing verantwoordelijk werd voor de rekrutering van jong talent. Aan belangstelling van talenten (m/v) was geen gebrek, en zonder al te veel inspanning liep het aandeel van vrouwen in de prestigieuze toptraineegroep op tot flink boven de vijftig procent. Maar enige jaren na instroming waren relatief veel vrouwen alweer vertrokken, de meesten naar het moederschap, en de pogingen ze te verleiden tot terugkeer met (desgewenst parttime) maatwerk bleken maar weinig succesvol. Trage vooruitgang was ook daar het onvermijdelijke gevolg. 

Aan wetgeving is geen gebrek; tot in de Grondwet werden gelijke rechten vastgelegd. Maar ook tot rechtszaken komt het niet gauw. Al heel lang werd tussen bedrijfsleven en politiek wel gesproken over de onvermijdelijkheid van een quotumregeling, om af te dwingen wat zich niet vanzelf leek te manifesteren. Lang niet alle vrouwen waren daar voorstander van; ze wilden op eigen kracht en niet als ‘excuus-truus’ de top bereiken. De cijfers bleven echter slecht, de druk nam toe, en nadat Noorwegen als eerste land koos voor zo’n quotumregeling, ging ook Nederland recent door de knieën. Frustrerend genoeg blijft de vooruitgang… traag. 

Waarom scoort juist Nederland toch zo slecht? Als het gaat om vrouwelijke hoogleraren, bevond ons land zich lange tijd – in het onfortuinlijke gezelschap van Botswana – diep onder in de internationale ranglijsten. Aan gebrek aan talent ligt het daar (en elders) zeker niet. Wel is mij vaak opgevallen dat vrouwen in sollicitatieprocedures veel minder zelfvertrouwen ten toon spreidden dan hun mannelijke rivalen, die bij voorbaat uitgingen van hun ongelooflijke geschiktheid voor welke functie dan ook. Maar dat geldt, naar ik vermoed en vrees, ook buiten Nederland. Wat wel uniek Nederlands is, is de enorme ruimte voor deeltijdarbeid. Daarin voert Nederland juist de ranglijsten aan, met een zeer ruime voorsprong op nummer twee (Engeland). Vooral vrouwen maken daarvan gebruik, en de verleiding is groot te vermoeden dat dat hun carrièredrang niet bevordert.

In principe is het simpel: elke organisatie zou ernaar moeten streven om het personeelsbestand een afspiegeling te laten zijn van haar onmiddellijke omgeving. Dat goed verifieerbare evenredigheidsbeginsel maakt het mogelijk diversiteitsambities te kwantificeren en bij te houden. Door openbaarmaking van de streefcijfers en jaarlijkse verslaggeving over de voortgang kan een groot publiek meekijken en zo nodig de druk op de organisatie (naming and shaming) opvoeren. Zo’n aanpak is veel genuanceerder en preciezer dan een quotum dat louter gericht is op topfuncties.

Maar wat de vooruitgang de komende jaren waarschijnlijk vooral gaat bevorderen, is het breed waarneembare effect van wat in onderwijskringen al lang het ‘jongensprobleem’ wordt genoemd. De systematische voorsprong in onderwijsresultaten van meisjes (‘achtplussers’) op jongens (‘zesminnetjes’) neemt alleen maar toe, en in elke organisatie waar kennis de doorslag geeft, begint dat verschil zichtbaar te worden aan de top. We zijn aangeland in de Eeuw van de Vrouw.

Diversiteit gaat natuurlijk over veel meer dan de man-vrouwverhouding. Huidskleur, seksuele geaardheid, herkomst – stuk voor stuk zijn het even verwerpelijke als hardnekkige bronnen van discriminatie. De stroperige vooruitgang die wordt geboekt, leidt wel tot steeds strijdlustiger voorvechters van gelijkheid, die het verleden aan hun kant weten en de toekomst opeisen. Het eerdergenoemde evenredigheidsbeginsel is breed toepasbaar en openbare informatie over vooruitgang (of het gebrek daaraan) kan helpen, maar de vooroordelen zitten angstaanjagend diep. De jarenlang voortslepende zwartepietendiscussie demonstreerde nog eens het beperkte inlevingsvermogen van  witte en welvarende mensen die gedoemd lijken om niet echt te kunnen begrijpen wat het betekent om dat niet te zijn. 

Institutioneel racisme bestaat. Identieke cv’s van verschillende mensen (Abdul versus Arie) worden ook in Nederland verschillend beoordeeld. Anoniem solliciteren kan dat verschil in de eerste ronde elimineren, maar is weinig vruchtbaar gezien de onvermijdelijk daarop volgende fysieke kennismaking. Extra kennis en vaardigheden kunnen diversiteitsachterstanden wel overbruggen: onderwijs is een effectieve gelijkmaker, en de maximaal ondersteunde toegang daartoe een noodzakelijke voorwaarde voor verbetering. Maar is het voldoende?

De meer dan terechte sympathie voor de Black Lives Matter-beweging (alleen de naam al) richt de schijnwerpers nog eens extra op de virulente blank-zwartdiscriminatie in de Verenigde Staten. De virtual reality voorstelling Traveling While Black van Roger Ross Williams, vorige zomer te zien in het Amsterdamse filmmuseum eye, biedt een schokkend perspectief op wat het tot voor kort nog betekende om als zwarte Amerikaan door eigen land te reizen, uren opgesloten in bus of trein onderweg naar de schaars beschikbare overnachtingsadressen. De diepe groeven die de slavernij door de Amerikaanse geschiedenis trok worden zo pijnlijk geïllustreerd. Maar ook in Nederland is de racistische erfenis – inclusief ons heftig koloniale verleden – niet verwerkt, inmiddels minder vaak de aanzet tot geweld dan in de VS, maar daarom niet minder kwetsend. 

   Verandering, verbetering heeft de hoogste prioriteit, en dat is al lastig genoeg. Maar als excuses voor een ver verleden kunnen bijdragen aan de gemoedsrust van de gediscrimineerden nu, dan zijn ze alleen al daarom de moeite meer dan waard. Redenen voor schaamte zijn er genoeg: de wetenschap als land geprofiteerd te hebben van een moreel verwerpelijk stelsel, de aanhoudend trage vooruitgang in het tegengaan van institutioneel racisme – en wat mijzelf betreft, vooral de gerede twijfel of ik destijds in Nederland en (zorgelijker nog) tot vrij kort geleden in Zuid-Afrika en het zuiden van de Verenigde Staten de moed zou hebben opgebracht om mij nadrukkelijk en zichtbaar te distantiëren van al het grootschalige onrecht om mij heen.

Filed Under: Uncategorized

Ooit geleerd XIII – België

12/09/2022 By Alexander

Voor veel Nederlanders is België niet veel meer dan een tijdrovend obstakel onderweg naar Frankrijk. De Nederlandse belangstelling voor de Benelux schommelt al decennia rond de nul. De hoge Vlaamse scores bij het Groot Dictee der Nederlandse Taal en de lage Belgische belastingtarieven wekken eerder verwondering dan bewondering. En de aanhoudende populariteit van de Belgengrap (“Ho, ho, ik ben zelf een Belg!” “Dan praat ik wel wat langzamer!”) bevestigt een al even onheus als onverdiend stereotiep.

Het valt niet te ontkennen: België is anders dan Nederland. Het is kleiner, en slordiger. Er is meer ruimte, zowel letterlijk als figuurlijk: meer ruimte om te wonen, meer ruimte om te ondernemen. En de successen worden niet breed geëtaleerd: onze zuiderburen beschikken over een behendige bescheidenheid waardoor de Belgische concurrentievoordelen eerder in stilte worden geïncasseerd dan triomfantelijk uitgedragen. Intussen bloeit de Antwerpse haven, zijn vrijwel alle grote Nederlandse kranten in Belgische handen en profiteren Nederlanders in grensgebieden maar al te graag van de Belgische gezondheidszorg, de Belgische onderwijsvoorzieningen en de Belgische benzineprijzen. 

In het begin van de jaren tachtig verdeelde ik mijn tijd tussen Brussel en Rotterdam. Alleen al de (vroeg geliberaliseerde) Belgische woningmarkt was een openbaring: in elke straat lachten de bordjes A louer ons toe. In Ixelles, een zwierige wijk uit het interbellum die grotendeels verschoond was gebleven van verlelijking, vonden wij in de Avenue des Phalènes (de Nachtvlinderlaan) een appartement met krakende parketvloeren, een statige badkamer en een prettig uitzicht. Het bleek een uitstekende keus. De buurtbewoners groetten elkaar. De winkels – in het bijzonder de traiteurs – kenden ruime openingstijden. De stoplichten werden gerespecteerd, en rechts kreeg overal voorrang. Bovendien verkeerde het land in een economische crisis, waardoor er overal moeiteloos kon worden geparkeerd; ook reserveren in restaurants was geheel onnodig. Alleen al Brussel kende bijna tweeduizend van deze eetgelegenheden, stuk voor stuk gekenmerkt door een pretentieloze toewijding aan de Franse keuken. Het was een genoegen daarmee kennis te maken. 

Zo werden het twee gouden jaren, afgerond door ons huwelijk in het stadhuis aan de Grote Markt, een van de mooiste pleinen van Europa. Een evident niet-Nederlandstalige ambtenaar, ondersteund door hoogbejaarde hellebaardiers, verbond ons in de echt, struikelde wel even over het woord ‘handelingsonbekwaamheid’ in de huwelijksacte maar zette door, en vergeleek afrondend tot onze verrassing de uitdagingen van het huwelijk op welsprekende wijze met die van de Olympische Spelen voor gehandicapten. Even later, na onze terugkeer op het plein, werd duidelijk waarom: precies dezelfde ambtenaar trad naar buiten voor het officiële afscheid van de inmiddels per autobus aangevoerde Belgische afvaardiging naar de Paralympische Spelen, en hield een toespraak die ons zeer bekend voorkwam. 

Brussel was toen nog een bruisende stad – ‘Bruxelles bruxellait’, in de uitdrukking van Jacques Brel. Maar tweetalig was de stad, anders dan afgesproken, zeker niet. Het was de Vlamingen een doorn in het oog, en dat staken zij niet onder stoelen of banken. Zo kregen we tijdens ons eerste beroep op de nieuwe Vlaamstalige doktersdienst uitgebreid beschreven hoe tot voor kort Vlaamse patiënten in het weekend uitsluitend konden worden behandeld door Franssprekende artsen: ‘Veterinaire praktijken, meneer!’ De verbittering was diepgeworteld. Dat was niet verwonderlijk: ooit werden Vlamingen veroordeeld door Franstalige rechters na een voor hen compleet onbegrijpelijk proces. Inmiddels was de economische macht verschoven in Vlaamse richting en lonkte een federaal evenwicht tussen Wallonië en Vlaanderen. Niettemin kon een Nederlander die Frans sprak in een Brusselse winkel daar door geïrriteerde Vlaamse klanten nog steeds scherp op worden aangesproken. Dat België nooit is opgesplitst – naar verluidt vooral dankzij de inspanningen van vorstenhuis en voetbalelftal –, is een klein wonder te noemen. 

Juist voor Nederland is er veel te leren van België. Als vno-voorzitter maakte ik kennis met de arbeidsverhoudingen bij onze zuiderburen en met de pas opgerichte Vlaamse ser. Grote overeenkomsten, leerzame verschillen. In de positie van de vakbeweging bijvoorbeeld: in Nederland coöperatief en vergrijzend, in België significant agressiever en met een vier keer hogere organisatiegraad. Dat is gemakkelijk te verklaren aan de hand van de naoorlogse afspraken tussen werkgevers en werknemers. De Nederlandse vakbeweging liet toen alle aanspraken op rechtstreekse invloed binnen het bedrijf vallen in ruil voor politieke invloed, de Belgische wist in de loop van de tijd beide te bemachtigen. 

Opnieuw: Belgische behendigheid. Ook later nam ik die waar, toen ing na een succesvolle overname van de bank bbl onder de hoede kwam van een Belgische voorzitter. Hij omringde zich met strategische vertrouwelingen en zette een geheel eigen stempel op onze bijeenkomsten, alleen al door zijn scherpe aandacht voor de schriftelijke verslaglegging. In eigen land lonkte voor hem toen nog verheffing in de adelstand, al dan niet overerfbaar, als dankbetuiging voor bewezen diensten. In afwachting daarvan toonden zijn Belgische collega’s zich loyaal en behendig, en werden ze met gepast ontzag geobserveerd door hun Hollandse collega’s. België mag dan wel beroofd zijn van zijn grote hoofdkantoren en zo in hoge mate ‘gefilialiseerd’, de Vlamingen en de Walen vonden elkaar moeiteloos in hun gezamenlijke rivaliteit met de noorderburen. 

De concurrentie tussen de taalgroepen is niet verdwenen. Tegelijkertijd heeft die de innovatiekracht van de Belgische economie eerder goed dan kwaad gedaan. Zo is Imec in Leuven al bijna veertig jaar een elektronicalaboratorium van wereldniveau, en riep de wrr enige tijd geleden de Nederlandse overheid op om het Belgische digitaliseringsbeleid als inspiratiebron te kiezen. Het zijn niet de enige voorbeelden. Zonder veel vijanden te maken hebben België en zijn politici zich met veel succes genesteld in het hart van Europa. 

Inmiddels lijkt de taalstrijd de facto beslecht in het voordeel van Vlaanderen. Economische en literaire kracht gaven de doorslag, maar de sporen van de strijd zijn en blijven zichtbaar. In de universiteit van Leuven bijvoorbeeld, waar na de totstandkoming van de Franstalige zusterinstelling in Louvain-la-Neuve de universiteitsbibliotheek in twee helften moest worden gesplitst. Naar verluidt geschiedde dat aan de hand van de even dan wel oneven nummers op de boekenkaften. Of is dat alweer een voorbeeld van wat een hardnekkig vooroordeel vermag?

Filed Under: Uncategorized

Ooit geleerd XII – Goede doelen

15/11/2021 By Alexander

Nederland is dol op goede doelen. In de zeventiende eeuw liep Amsterdam internationaal voorop in de georganiseerde armenzorg; de welvarende calvinisten wilden daar best aan meebetalen. Twee eeuwen later financierden rijke Amsterdammers uit vergelijkbaar plichtsbesef het Vondelpark, de Stadsschouwburg en het Concertgebouw. Weer een eeuw later is overal in Nederland veel moois tot stand gekomen wat zonder blijvende particuliere betrokkenheid niet zou overleven. In Nederland is aan goede doelen nooit een gebrek geweest; aan geld voor hun ondersteuning natuurlijk wel. 

Al heel lang ben ik betrokken bij pogingen om dat geld te vinden. Op zevenjarige leeftijd benoemde ik mezelf tot voorzitter van de eigenhandig opgerichte organisatie Hulp Aan Arme Kinderen (HAAK). Van buren en familie wist HAAK een bescheiden bedrag los te peuteren, dat vervolgens door de bestuursleden zonder aarzeling in eigen zak werd gestoken toen bleek dat zij zelf onmiskenbaar behoorden tot de minstbedeelde kinderen van de wijk. Later produceerde ik ter ondersteuning van het Rode Kruis met iets meer zakelijk succes een kleurrijk striptijdschrift in een oplage van  vijf exemplaren, stuk voor stuk met de hand vervaardigd. En nog iets later ging ik met zakjes kinderpostzegels dapper colporterend van deur tot deur.

Serieuze bemoeienis met de filantropie kreeg ik pas vele jaren later toen ik nauw betrokken raakte bij de fondsenwerving voor het Concertgebouw. Deze fenomenale concertzaal werd in 1888 neergezet tussen de tuinderijen en de weilanden aan de rand van de stad als een kopie van het vroegere Leipziger Gewandhaus, en kreeg door latere toevoeging van een gigantisch orgel ineens een akoestiek op wereldniveau. Om dat alles te onderhouden is een kostbare taak, waar de Rijksoverheid in het geheel niets aan bijdraagt. Hoe treurig ook, voor de fondsenwerver is dat een flinke steun in de rug: het elimineert het maar al te vaak gehoorde excuus: ‘Ik betaal al belasting genoeg.’ Zo kon het Concertgebouw – bij hoge uitzondering in Nederland – een eigen vermogen vergaren waarvan het rendement inmiddels redelijk onderweg is om de (aanzienlijke) vaste lasten van het gebouw te dekken. Zo’n endowment is volstrekt normaal in de Verenigde Staten, maar in Nederland vereiste dit een extra emissie van aandelen in de ook uit 1888 daterende vennootschap. Na enig duwen tegen en trekken aan de Belastingdienst lukte dat, maar gemakkelijk was het niet. Wie als fondsenwerver de moed erin wil houden, kan zich maar beter niet spiegelen aan de Amerikaanse markt, waar particuliere miljoenensteun normaal is en miljardensteun niet uitzonderlijk.

Het Nederlandse goededoelenlandschap is divers. Een groot fonds als het Prins Bernhard Cultuurfonds bijvooorbeeld, dat zowel geld ophaalt als verdeelt, heeft een geheel eigen werkterrein en eigen tradities zoals de Zilveren Anjer, jaarlijks door Prinses Beatrix uitgereikt aan een paar Nederlanders die iets aparts en vaak ontroerends hebben bijgedragen aan de cultuur in brede zin. Maar`dit omvangrijke fonds is slechts één goed doel uit vele, één voorbeeld uit een subcultuur van tienduizenden fondsen en stichtingen, groot en klein, die elk op hun eigen manier een of meerdere doelen dienen, van gezondheid tot cultuur, van armoedebestrijding tot milieu, van wetenschap tot welzijn. 

Er is één voorrecht dat hen alle bindt: de fiscale aftrekbaarheid van wat aan ze geschonken wordt. Al wat officieel erkend wordt als bijdragend aan het algemeen nut, kan ondersteuners voorhouden dat hun schenking, in vijf jaarlijkse stukken geknipt, geheel (en voor cultuur zelfs meer dan geheel) in mindering kan worden gebracht op hun belastbaar inkomen. Dat levert een oerreflex op waar veel Nederlanders voor bezwijken.

Toch blijven de donaties bescheiden. Ongeveer zes miljard euro per jaar wordt door Nederlanders weggegeven, iets minder dan één procent van het nationaal product; dat is internationaal gezien zeker niet indrukwekkend. Relatief het meeste gaat naar gezondheid, relatief het minste naar cultuur. Driekwart komt van burgers en bedrijven. En tien procent arriveert dankzij een Nederlands unicum, de goededoelenloterijen. Ook die kennen een lang verleden, maar vooral een indrukwekkend heden:  jaarlijkse donaties op Bill Gates-niveau. 

Als er iets onrustbarends is aan zulke donaties, dan is het hoogstens de mate waarin veel publieke doelen langzamerhand afhankelijk zijn geworden van een enkele private schenker. In Amerika, waar de onmisbaarheid van private donaties nog veel pregnanter is dan hier, wordt de ontwikkeling van kunst, cultuur en wetenschap in nog veel sterkere mate gevoed door de voorkeuren van een kleine groep superrijken. Daar is het al helemaal een ongemakkelijk gevoel om elke keer weer met de pet in de hand belet te moeten gaan vragen bij de super rich. Maar ja, het totale overheidsbudget voor cultuur in Nederland is nog niet eens toereikend om één groot ziekenhuis een jaar lang draaiende te houden. Het is niet anders: beggars can’t be choosers. 

Officieel horen loterijen tot de kansspelen, al is de kans om iets flinks te winnen onvoorstelbaar gering en het risico van verslaving verwaarloosbaar. Dat laatste geldt niet voor wat nu eindelijk in Nederland is gelegaliseerd: online gambling, van poker en craps tot blackjack en roulette. Gaan de loterijen en in hun verlengde de goede doelen daaronder lijden? In Denemarken lijkt dat wel het geval geweest te zijn, blijkens een onheilspellende statistiek die ik ooit tot ongenoegen van de verzamelde goklobby deelde met een Tweede Kamercommissie. Laten we hopen dat zo’n terugval Nederland bespaard blijft: er staat inmiddels veel op het spel. Inmiddels heeft de goededoelenloterij als succesvol exportproduct haar weg gevonden naar andere Europese landen en kan ze gelukkig financieel tegen een stootje, evenals de geheel vernieuwde Staatsloterij waarmee het Rijk zichzelf ooit met groot succes tot goed doel uitriep.

De collectebus blijft het zuiverste middel voor fondsenwerving – van huis tot huis, in de winkelstraat, in de kerk of in het café. Niets zo bemoedigend voor de collectant als een geluidloos neerdwarrelend bankbiljet; niets zo tegenvallend als een hoorbaar landend enkel muntje; niets zo teleurstellend als het afwerende ‘Nooit van gehoord!’ En niets zo bevredigend als met dat zo moeizaam verworven geld iets moois tot stand brengen zonder daarvoor bedeesd te hebben moeten aankloppen bij de almachtige overheid.

Filed Under: Uncategorized

Ooit geleerd XI – Wiskunde

15/11/2021 By Alexander

De wiskundeknobbel bestaat niet. Natuurlijk, sommige mensen hebben meer en sommige minder affiniteit met het vak, maar dat geldt net zo goed voor Frans en lichamelijke oefening. De gedachte dat onvoldoendes voor wiskunde vallen te rechtvaardigen door een volledig gebrek aan aanleg is  klinkklare onzin.

Ik heb recht van spreken. In 1972 werd ik aangesteld als medewerker wiskunde bij de net opgerichte Interfaculteit Bedrijfskunde. De daar binnenstromende studenten hadden eerder elders een kandidaatsexamen behaald – dat kon toen nog – en werden gedurende drie maanden bijgeschoold in hun achterstandsvakken. Voor de juristen en andere alfa’s waren dat vooral wiskunde en statistiek. Met angst en tegenzin schaarden zij zich onder mijn gehoor. 

Hoe schoorvoetend ook ze in de collegebanken belandden, geen van de binnenstromers kon het nut van de wiskunde ontkennen. Dat heeft alles te maken met de revolutie die het vak onderging in de zeventiende eeuw. In de handen van Newton en Huygens bleek wiskunde toen bij uitstek de taal om de fysieke werkelijkheid mee te beschrijven en te begrijpen. Op de grote successen in de natuurkunde volgde een kleine twee eeuwen later de economie. Inmiddels biedt de wiskunde deze en andere vakgebieden – inclusief de jonge bedrijfskunde – een volstrekt onmisbaar jargon.

Hoe is het enorme succes van juist deze laatste driehonderd jaar te verklaren? Lang daarvoor was de wiskunde al aan haar opmars begonnen met het simpele tellen en rekenen; de abstractie van het getal is een oeroude, zelfs prehistorische ontdekking. Dankzij de uitvinding van de nul (de Maya’s of toch de Chinezen?) was een klein aantal additionele cijfers (bijvoorbeeld negen) voldoende om alle denkbare getallen te noteren, en vervolgens eenvoudig bij elkaar op te tellen of met elkaar te  vermenigvuldigen. Maar bij dat rudimentaire rekenen, hoe belangrijk ook, bleef het niet. Rond 1630 realiseerde Descartes zich dat alles wat met deze getallen gedaan kon worden, ook kon met voorlopig onbekende getallen die voorgesteld werden door letters, bijvoorbeeld door de letter x waarvoor elders in de drukkerij weinig emplooi was. En ziedaar de revolutie: de algebra, de taal voor Newton en Huygens, was geboren.

De meetkunde had haar praktisch nut al bewezen bij het bouwen van de Egyptische piramiden, die hun onberispelijk rechte hoeken dankten aan de stelling van Pythagoras. Het enige andere grote idee dat de juristen nog moest worden bijgebracht was dat het begrip snelheid niet alleen betekenisvol is als gemiddelde over een tijdvak, maar ook op een specifiek tijdstip. (‘Meneer, u reed om 16.46 tachtig kilometer per uur.’ ‘Maar agent, dat kan niet: ik was nog maar vijf minuten onderweg.’) Dat bleek goed uit te leggen, zoals een enkele langgeleden afgestudeerde bedrijfskundige mij nog weleens komt vertellen. 

Destijds kon de binnenstromers ook heel wat wiskunde bespaard blijven. Wie twee getallen optelt, krijgt een derde getal, maar wie een voorwerp twee keer achter elkaar een duw geeft, realiseert als nettoresultaat een derde duw, en die combinatiewijze heeft met de optelling een aantal eigenschappen gemeen. (De volgorde waarin de twee bewerkingen worden uitgevoerd, is bijvoorbeeld irrelevant.) De wiskunde wemelt van dergelijke abstracties. In de algebra, zoals de bovenstaande, maar ook in de meetkunde. En wie ooit een grafiekje heeft getekend, weet dat bij veel algebra een meetkundig plaatje hoort en omgekeerd: de scheidslijn tussen beide is een willekeurige. Zo kon de wiskunde uitdijen tot een schatkamer van abstracties, diep genoeg om vele generaties wiskundigen bezig te houden en breed genoeg om inmiddels totaal onoverzichtelijk te zijn voor ieder van hen. 

Het nettoresultaat van al die inspanningen had kunnen blijven steken in frivoliteiten, in mathematische spielerei. Maar dat gebeurde juist niet. Met grote regelmaat blijkt dat wat begon als abstract tijdverdrijf voor wiskundigen uiterst bruikbare nieuwe inzichten oplevert voor allerlei vakgebieden. Zo was ik enige tijd geleden geleden aanwezig bij de uitreiking van de Christiaan Huygens Prijs aan Chris Smiet, een onderscheiding die hij kreeg voor het voorspellen van een stabiele plasmastructuur in de ruimte. Die voorspelling was gebaseerd op de honderd jaar eerder voor totaal andere doeleinden ontwikkelde wiskunde van knopen en strikken! Dat kleine wonder is niet uniek. En dus is de kernvraag hoe valt te begrijpen dat zoveel wiskunde, ver van de werkelijkheid ontwikkeld, vele jaren later de essentie van diezelfde werkelijkheid perfect blijkt te beschrijven: in de natuurkunde, in de scheikunde, in de biologie, in de sterrenkunde, in de economie, in de taalkunde.

Dat is voer voor filosofen. Er is dan ook geen tekort aan scholen en stromingen in de filosofie die probeerden te verklaren waarom de werkelijkheid de wiskunde zo verrassend kon binnendringen. Veel opleveren deden ze niet. Toch duurde het tot 1959 voordat de Nobelprijswinnaar Eugene Wigner, schrijvend over de ‘unreasonable effectiveness of mathematics’, concludeerde wat vele wiskundigen al eerder hadden vermoed: de verbluffende bruikbaarheid van de wiskunde is niet meer of minder dan een ondoorgrondelijk wonder dat we in diepe dankbaarheid moeten accepteren als een geheel onverdiende gift.

Helemaal bevredigend is die ontknoping niet, en de filosofen hebben de strijd dan ook niet opgegeven. Wiskundigen, die zich van de filosofische verwarringen toch al weinig aantrokken, laten zich verder niet afleiden en storten zich op allerlei nieuwe kansen. Zo gebruiken ze niet alleen de alsmaar snellere computers om als alsmaar sneller te kunnen rekenen (terug naar de basis), maar ook als aanleiding om na te denken over de grenzen van die berekenbaarheid, als voorbeeld van wat de ogenschijnlijk steeds almachtigere computer niet kan en – sterker nog – nooit zal kunnen. Keer op keer blijkt daar en bij talloze andere gelegenheden die onverklaarbare bruikbaarheid van de zuivere wiskunde, die werd ontwikkeld zonder enig zicht op wat veel later zulke spectaculaire toepassingen zouden worden.

Wiskunde is, kortom, een wonder en kent – voor wie daar oog voor heeft – een geheel eigen esthetiek van vorm en een eigen schoonheid van redenering. Om die te leren waarderen, is niet zozeer die imaginaire wiskundeknobbel nodig, maar volstaat een middelbare school docent die iets van dat wonder weet over te dragen. Die bestaan, en ik zou ze iedereen toewensen. 

Filed Under: Uncategorized

Ooit geleerd X – China

15/11/2021 By Alexander

China blijft een mysterie, zelfs voor de trouwe bezoeker. Veertig jaar geleden eindigde de Culturele Revolutie; kort daarna was ik samen met een Rotterdamse collega een van de eerste buitenlandse academische gasten. We zagen het prille begin van een verbijsterende omwenteling.

Ons bezoek was het gevolg van een behoorlijk vrijpostig aanbod onzerzijds om gebruik te maken van een kersvers uitwisselingsprogramma tussen Nederland en China. Vervat in een ouderwetse brief met een postzegel werd deze zelfuitnodiging verstuurd in de veronderstelling dat een antwoord weleens lang op zich zou kunnen laten wachten. Maar twee weken later al arriveerde een positieve reactie, en binnen de kortste keren waren we onderweg naar Beijing. Van die Chinese gretigheid naar buitenlands contact zou ik nog vele voorbeelden meemaken. 

     Het werd vanaf het allereerste begin een onvergetelijke reis, al helemaal in het licht van wat dit enorme land nog allemaal te wachten stond. Het vliegveld van Beijing was een minuscule afspiegeling van het huidige. Op de kruispunten van de uitgestorven tweebaansweg naar de stad zaten Chinezen onder de straatlantaarns te kaarten, naar ik mij pas later realiseerde omdat ze thuis geen elektriciteit hadden. Gedurende de voorafgaande vijftien jaren was China door Mao Zedong onderworpen aan een vrijwel compleet isolement. Voor de geheel in blauwe Mao jasjes gestoken Chinese bevolking vormde ons reisgezelschap zodoende een verrassende bezienswaardigheid, die aanleiding gaf tot veelvuldig gegiechel. De naweeën van de nog maar net uitgeraasde revolutie waren nog overal zichtbaar: tempels en paleizen waren zwaar beschadigd, en van de universitaire populatie hadden velen de gedwongen tewerkstelling op het platteland niet overleefd. 

De vreugde rond de heropenstelling was navenant groot. Officiële gastvrijheidsregels bestonden nog niet, en dus kon elke kans op een feestelijk diner met gretigheid worden benut. Het was mijn eerste kennismaking met het fenomeen van het Chinees banket. Dat omvat ten minste tien gangen, in hoog tempo binnen twee uur opgediend – op trage eters wordt niet gewacht. Het is een aparte ervaring, alleen al door de vele heildronken (‘Ganbei!’) die worden uitgebracht met de fluweelzachte maar levensgevaarlijke Moutai (54%). 

Wij werden met alle egards ontvangen. In een land zonder personenauto’s vervoerden zwarte Russische limousines (merk zil) ons van de ene naar de andere universiteit, waarbij de chauffeurs  omwille van de brandstofbesparing alle afdalingen met uitgezette motor en kokende handremmen tot een veilig einde probeerden te brengen. Overal wachtten welkomstcomités ons op met hartveroverende spandoeken. Tolken waren bij onze voordrachten onmisbaar; hun inzet resulteerde in een zodanig lange bedenktijd na iedere zin dat elke volgende zin nog compacter kon uitvallen dan zijn voorganger. Opgelucht applaus en vele dankbetuigingen waren ons deel. 

Leergierigheid en discipline waren toen al kenmerkende eigenschappen van de Chinese studenten. Twee van hen belandden kort na onze reis in Rotterdam, schreven in twee jaar elk een uitstekend proefschrift en vervolgden hun loopbaan met veel succes in het Westen. De beste studenten uit een land met een miljard inwoners zijn nu eenmaal per definitie heel erg goed. Binnen één generatie zou de complete kenniskloof worden gedicht. Enkele jaren later al troffen Nederlandse genetici in Shanghai zalen aan vol apparaten waarvan ze er zelf twee à drie hadden staan. Inmiddels vraagt China meer patenten aan dan elk ander land ter wereld.

Twintig jaar later belandde ik in China om voor ing een verzekeringslicentie te verwerven. In de tussentijd had ik met diverse zakendelegaties al meegemaakt dat China de troefkaart van zijn enorme markt handig uitspeelde door enerzijds gunstige samenwerkingsovereenkomsten af te dwingen en anderzijds zich maar weinig aan te trekken van bestaande intellectuele eigendomsrechten. Bij elk volgend bezoek leek er weer een nieuwe ringweg om Beijing gelegd, die op de files geen enkel effect had en de latere luchtverontreinigingen voorspelde. De Chinese economie groeide met duizelingwekkende snelheid.

Van de historische stadskern van Beijing was inmiddels alleen de Verboden Stad overgebleven. Daar ontving het Chinese leiderschap met groeiend zelfvertrouwen buitenlandse gasten in luxueuze paleizen, en werd de Nederlandse verzekeraars duidelijk gemaakt dat ze op hun beurt moesten wachten. ‘You must have patience’ was de standaard aanmaning, die aanhield totdat ing (tot mijn niet geringe irritatie tegelijk met het veel minder actieve Aegon) tijdens een Chinees staatsbezoek aan Nederland eindelijk de langgezochte licentie kreeg toegeworpen.

Ook toen nog bleven de verzekeraars aangewezen op minderheidsposities in joint ventures, met uitzondering van de Amerikaanse verzekeraar aig die zo werd beloond voor zijn jarenlange loyaliteit aan het regime; ‘old friend’ geldt in China als de hoogst bereikbare status. Shell had daar eerder een schitterend paviljoentje aan het meer van het Zomerpaleis aan overgehouden, als woonruimte voor de lokale directeur. Aan de rand van dezelfde status bemachtigde ing uiteindelijk als beloning voor alle inspanningen een flinke participatie in de Bank of Beijing, een felbegeerde voet tussen de deur van de Chinese financiële sector. Daar had de Duitse bondskanselier nog tevergeefs voor gelobbyd, omdat onze eigen Balkenende net op tijd het gewicht van het Europese voorzitterschap van Nederland in de strijd kon gooien.

China was inmiddels een volgroeide economie, een bewonderde en gerespecteerde hoofdrolspeler in het globaliseringsproces die honger en armoede in eigen land met succes had bestreden. Een zekere trots op die prestatie was onmiskenbaar aanwezig, maar liever nog beschouwden de Chinezen de snelle groei als het natuurlijke herstel van de Chinese dominantie in de wereldeconomie die in de zeventiende en achttiende eeuw – tijdelijk – verloren was gegaan. Koloniale ambities had China in de eeuwen daarvoor nooit gedemonstreerd. Dat maakt nieuwsgierig naar hun huidige mate van territoriumdrift, nu China vele arme ontwikkelingslanden in een ijzeren greep heeft genomen en lijkt af te koersen op een nieuwe Koude Oorlog met de Verenigde Staten.

Aan de ijver en het doorzettingsvermogen van de Chinese bevolking zal het niet liggen. Tijdens mijn eerste bezoek verzorgde een jonge Chinese gids een rondleiding door een flink beschadigde boeddhistische tempel. Pas toen haar na afloop een vraag werd gesteld, bleek dat ze geen woord Engels sprak en de gehele tekst van de rondleiding als klankenreeks uit haar hoofd had geleerd. Wie tot zo’n inspanning in staat is, heeft – met haar hele generatie – reden tot substantieel zelfvertrouwen. 

Filed Under: Uncategorized

  • « Previous Page
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • …
  • 19
  • Next Page »