Alexander Rinnooy Kan

Bio | Berichten | Achtergrond

D66
  • Email

Ooit geleerd XXIII – Democratie

01/05/2023 By Alexander

Over een grondige verbouwing van het ‘Huis van Thorbecke’ wordt al lang nagedacht. Echt opschieten doet het niet. Destijds koos de naamgever bewust voor een veranderingsresistent ontwerp: een grondwetswijziging vereist in twee opeenvolgende parlementen een meerderheid (één keer zelfs een flinke). Aan ideeën, adviezen en commissies is nooit gebrek geweest, maar als onderwerp heeft de inrichting van onze parlementaire democratie een hoog gaapgehalte en schiet het pijnlijk tekort aan glamour en spektakel. Zo blijft alles dus min of meer zoals het was.

Ook werkgevers en werknemers kunnen hun opwinding over dit onderwerp moeiteloos onderdrukken. Eén keer, bij het referendum over het vormen van een stadsprovincie Rotterdam, liet vno zich verleiden tot een positief stemadvies. Ik herinner mij een discussie met Bram Peper in een vrijwel verlaten, hol galmende Burgerzaal aan de Coolsingel. Met een zeer ruime meerderheid werd het voorstel de dag erna verworpen.

Niet dat iedereen tevreden is: met grote regelmaat wordt gejammerd over het matig functioneren van onze democratie. Hoewel dat meer te maken heeft met hoe de bewoners zich gedragen dan met de inrichting van het Huis zelf, ligt toevalligerwijs juist vandaag de dag een aantal wenselijke structuurveranderingen keurig in elkaars verlengde. Is het dan niet zaak om die kansen te verzilveren en tegemoet te komen aan het gemopper? 

Vooraan in die wachtrij van hervormingen staat de veelgehoorde wens om het aantal Tweede Kamerleden uit te breiden. Inderdaad is dat aantal, rekening houdend met de omvang van Nederland, internationaal zeer laag. Overbelasting van Kamerleden is aan de orde van de dag, en vooral kleinere fracties hebben het zwaar – een vijftigtal extra zetels is alleszins te verdedigen. En kijk: het gebouw van de Tweede Kamer krijgt net een grote onderhoudsbeurt. Nu kan dus gemakkelijk de vergaderzaal worden vergroot (of de wel zeer ruim bemeten blauwe fauteuils een tikje verkleind).

Met die vijftig extra zetels dient zich meteen een volgende kans aan: overstappen op het Duitse gemengde parlementaire stelsel, waarbij de nieuwe zetels gekoppeld worden aan evenzoveel nieuw te vormen kiesdistricten. Elke kiezer brengt dan twee stemmen uit: één op een landelijke lijst en één in zijn of haar district. Dat laatste is aantrekkelijk voor de lokale kiezers: zij kunnen voortaan hun ontevredenheden kenbaar maken op het spreekuur van het eigen Kamerlid, dat er alle belang bij heeft om zich een lokale reputatie te verwerven als politieke probleemoplosser.

Die vijftig nieuwe kiesdistricten sluiten op hun beurt prima aan bij het al heel lang lopende proces van gemeentelijke schaalvergroting. Steeds meer beleid wordt immers gedecentraliseerd, en dat dwingt kleine gemeentes tot een onoverzichtelijk en democratisch oncontroleerbaar ratjetoe aan samenwerkingsverbanden. Schaalvergroting ligt dus voor de hand. Een uitgebreide analyse heeft aangetoond dat indeling van Nederland in een vijftigtal regio’s leidt tot bestuurlijke eenheden met precies de juiste omvang om alle gedecentraliseerde taken goed te kunnen bolwerken – uiteraard onder toezicht van democratisch gekozen regioraden. Binnen elke regio kan dan naar hartenlust verder worden gedecentraliseerd, zodat dorpen, kleine (deel)gemeentes, buurten en wijken herkenbaar en aanspreekbaar blijven voor hun bewoners; elke regio moet dat vooral geheel naar eigen inzicht doen. 

Die vijftig regio’s annex kiesdistricten kunnen bovendien in één klap financieel zelfstandiger worden ingericht dan de huidige gemeentes. Een internationaal ongekend hoog percentage van alle gemeente-inkomsten komt op dit moment immers rechtstreeks van het Rijk. Dat ontneemt het decentrale bestuur de ruimte om zelf meer of minder belasting te heffen al naar gelang hun kiezers dat prefereren. Een verschuiving van nationale naar regionale belastingheffing ligt dus ook voor de hand.

Is dit alles een papieren wensdroom of kunnen deze hervormingen daadwerkelijk worden gerealiseerd? Het laatste is het geval. Denemarken heeft een vergelijkbare gemeentelijke opschaling binnen een paar jaar klaargespeeld, en plukt daarvan nu de vruchten.

Mocht op deze manier een efficiënte en effectieve regionale bestuurslaag tot stand komen, dan geeft dat vervolgens een goede reden tot herbezinning op de huidige provinciale bestuurslaag. Provincies met een rijke geschiedenis, een eigen cultuur, een uniek dadaïstische carnavalstraditie of een sporadische Elfstedentocht mogen zeker blijven bestaan, maar moet dat nog als democratische bestuurslaag? Afschaffing hoeft niet ten koste te gaan van traditionele feestelijkheden, al dan niet onder leiding van een commissaris van de Koning.

In dit regionale model is ook gemakkelijk een alternatief te verzinnen voor de wat ongemakkelijke waterschapsverkiezingen. En wie tenslotte twijfelt aan de meerwaarde van de Eerste Kamer kan deze hervormingsronde dan ook nog benutten voor een reeks aanpassingen aldaar. 

Deze lange agenda suggereert dat de structuur van onze democratie flinke sporen vertoont van achterstallig onderhoud. Dat klopt, maar het is natuurlijk niet het hele verhaal. Die structuur zegt immers weinig tot niets over de dagelijkse omgang tussen bestuurders en bestuurden. Goede toegankelijkheid van de eersten en nauwe betrokkenheid van de laatsten vormen in alle inrichtingsvarianten lastige opgaven. Burgerberaden, ingelote G1000 jury’s, referenda, dorps-, wijk-, buurt- en straatraden kunnen daar stellig aan bijdragen, maar ze vormen geen panacee. In Denemarken wordt eens per jaar op het eiland Bornholm een politiek festival georganiseerd waar de gehele politieke top van land en regio’s zich toegankelijk maakt voor tienduizenden kiezers.  Zou dat niets voor Texel zijn?

Iedere representatieve democratie vereist om de zoveel tijd enig onderhoud. Het is nu eenmaal, naar klassiek inzicht, een uitermate beroerd systeem dat desalniettemin beter is dan alle ervoor bedachte alternatieven – vraag dat maar aan wie autocratieën aan den lijve heeft ondervonden. Wat bemoedigt is dat elke nieuwe politieke partij, hoe marginaal, radicaal of theatraal ook, maar één ding wil: een zetel in het parlement. Gelukkig is en blijft dat maatgevend voor politieke macht en invloed. 

Een van de grote voordelen van een representatieve democratie is de mogelijkheid van een snelle bijsturing van beleid via de vierjaarlijkse verkiezingen, hoe sneu dat ook is voor de democratische bestuurders: hun mandaat kan van de ene op de andere dag vervallen, samen met de dienstauto en de dossiertas. Natuurlijk, niet elke democratische spelregel kan gemakkelijk worden veranderd: die lage kiesdrempel bijvoorbeeld, een bron van excessieve versnippering, daar komt Nederland voorlopig niet van af. Maar breedgedragen, gestage vooruitgang in kleine stapjes is heel goed mogelijk. Op het winnende t-shirt bij een politiek festival prijkten de teksten ‘Ik Tel Mee’ en ‘Wij Zijn De Baas’. Daarmee is de kern van de representatieve democratie mooi samengevat.

Filed Under: Uncategorized

Ooit geleerd XXII – Leraar

01/05/2023 By Alexander

Wie nog twijfelt aan het belang van leraren hoeft alleen maar te informeren bij vrienden en bekenden naar de reden voor hun studie- of beroepskeuze. In negen van de tien gevallen wordt dan een leraar of lerares opgevoerd die inspireerde en motiveerde, die belangstelling had en dat liet blijken, die iets wilde meegeven en dat ook deed. 

Mijn eerste rolmodel was de leraar geschiedenis, die ook nog eens jurist was – dat leek mij gedurende lange tijd de ideale combinatie. Maar toen, in de vijfde klas, kreeg ik een leraar wiskunde die niet alleen uit de losse hand een perfecte cirkel op het bord tekende (best lastig), maar die ook veel meer vertelde over wiskunde dan nodig was. Hij gaf de doorslag: ik werd wiskundige, en heb daar nooit spijt van gehad. 

De meeste wiskundigen worden zelf ook weer leraar. Met dat vooruitzicht had ik alle vrede, maar het liep anders. Wel werd ik hoogleraar, en veel van de bijbehorende arbeidsvreugde heeft dezelfde herkomst: het delen van kennis, het onderkennen en ondersteunen van talent. De tijd beschikbaar voor studenten werd in de loop van mijn leven helaas steeds schaarser, maar wel kreeg ik steeds meer te maken met het Nederlandse onderwijsbeleid en daarmee met de beroepsgroep van leraren in den brede. De reden daarvoor is simpel: elk onderwijssysteem is niet beter of slechter dan zijn leraren. Aan grote hervormingen valt niet altijd te ontkomen – de Mammoetwet, de basisschool – , maar ze zijn tot mislukken gedoemd – het studiehuis – als de leraren er geen zin in hebben. Wie geeft om het onderwijs, geeft om de leraren. 

Gedurende vele jaren stond het Nederlandse onderwijs uitstekend te boek. Tot de absolute internationale top behoorde het niet, maar dat scheelde niet veel. En bovendien: koplopers als Japan en Zuid-Korea leggen zo’n druk op hun leerlingen (alleen maar vergelijkende examens!) dat zij gewoon niet te kloppen zijn in de driejaarlijkse pisa-metingen van de OECD. De prijs die ze voor die toppositie betalen, is niet gering: beide landen kampen met uitzonderlijk hoge zelfmoordcijfers onder jongeren. Nederlandse kinderen daarentegen bleken volgens unicef in 2020 opnieuw de gelukkigste ter wereld. Dat moet ons veel waard zijn, maar hetzelfde geldt voor goed onderwijs. Het is dan ook buitengewoon zorgelijk dat Nederland al jaren gestaag daalt in de pisa-rangorde. Een complete verklaring daarvoor is er nog steeds niet (waar blijft die toch?), maar het kan geen toeval zijn dat het al lang onrustig is in lerarenland.

Ik raakte daarbij betrokken in 2007 als voorzitter van een commissie die het rapport LeerKracht! schreef, met een titel die kort probeerde samen te vatten wat eraan schortte. Directe aanleiding was het inzicht dat Nederland afkoerste op een groot kwantitatief lerarentekort, als gevolg van een snel naderende pensioengolf. Dat tekort (al veertien jaar eerder voorspeld; demografie is een overzichtelijk vak) was al zorgwekkend genoeg, maar daarenboven was de stemming onder de leraren ook nog eens allerberoerdst. Ze voelden zich ondergewaardeerd en onderbetaald, en droegen dat zo effectief uit dat het respect voor hun ambt inderdaad begon te dalen. Onthullingen over pijnlijk lage rekenscores van aanstaande onderwijzers versterkten het beeld dat het tekort niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief van aard was.

Het eenvoudigste hoofdstuk van het rapport ging over geld. Het was niet moeilijk om uit te rekenen dat compensatie van de onderbetaling ongeveer een miljard euro zou kosten. Minister Ronald Plasterk, net benoemd, vond dat tot schrik van zijn ambtenaren een redelijk bedrag en hield zich aan zijn toezegging. Maar helaas: door bezuinigingen in de jaren daarna ontstond al spoedig een nieuwe achterstand. 

De twee andere grote aanbevelingen in LeerKracht! kregen minder aandacht. Dat gold voor het pleidooi voor fatsoenlijk personeelsbeleid – dat wacht nog steeds op verdere professionalisering van de schoolleiders – en helaas ook voor de oproep om de professie van de leraren zelf een flinke duw te geven. Als iets de toplanden in de pisa-rangorde kenmerkt, dan is het een gevoel van gezamenlijke verantwoordelijkheid van leraren voor het onderwijssysteem als geheel. Die brede verbondenheid en de daaruit voortvloeiende kwaliteitsgedrevenheid, zo kenmerkend voor elk succesvol beroep, waren in Nederland onvoldoende ontwikkeld.

Een goed instrument daarvoor is wat met een verschrikkelijk woord ‘bekwaamheidsonderhoud’ is gaan heten: herscholing en bijscholing. Zo ontstond, naar analogie van artsen, accountants en advocaten, het idee van een kwaliteitsregister voor leraren die hun vak behoorlijk bijhouden. De onderwijsvakbonden zagen daarin een kans om iets moois toe te voegen aan hun traditionele cao-bemoeienissen. Helaas: die extra verantwoordelijkheid werd hen zozeer misgund dat het hele idee sneuvelde.

Daarmee blijven de leraren ondergeorganiseerd en ondergerepresenteerd. De kwantitatieve en kwalitatieve tekorten blijven onverminderd zichtbaar en zijn hoe dan ook niet snel op te lossen – al helemaal niet op een krappe arbeidsmarkt waar de vastigheid van de leraarsbaan weinig indruk maakt.

Verbetering begint bij de opleiding. Op lange termijn is verdergaande academisering een route die in alle pisa-toplanden effect heeft gesorteerd. Om hogere salarissen gaat het zeker niet alleen, wel om een lagere werkdruk. Al te veel jonge Nederlandse leraren gooien al snel de handdoek in de ring, ontmoedigd door de lange uren en door de nimmer aflatende concurrentie met de smart phone om de aandacht van hun leerlingen.

En toch. De magie van de kennisoverdracht gaat nooit verloren. Het moment dat ineens het begrip doorbreekt en een leerling zelf iets uit kan uitleggen wat hij eerder beschouwde als een raadselachtig mysterie, het moment dat de wereld zich ordent voor jonge wereldburgers, dat is ook het moment dat de menselijke soort zichzelf niet alleen toont op zijn ontwapenendst, maar ook op zijn constructiefst.

Filed Under: Uncategorized

Ooit geleerd XXI – Frankrijk

01/05/2023 By Alexander

‘Toute ma vie, je me suis fait une certaine idée de la France.’ Zo luidt de openingszin van de memoires van Charles de Gaulle. Een opvatting over Frankrijk, een beeld van Frankrijk: wie in Nederland heeft dat niet? En in overwegende mate is dat beeld positief, en is het voorzien van een jaloerse ondertoon. Niet voor niets is Frankrijk al sinds jaar en dag voor Nederlanders het favoriete vakantieland. Het lijkt alles perfect op orde te hebben, van landschap en klimaat tot en met cultuur, wijn en kaas. Een zeker chauvinisme wordt de bewoners dan ook graag vergeven.

Zelfs in ons gezin met een Engelse moeder werd de affectie voor Frankrijk breed beleefd. Mijn jongste tante volgde er een zangopleiding, haar oudere zusje werd lerares Frans. Mijn vader kreeg al jong het Legioen van Eer uitgereikt, dat zijn kinderen het recht bezorgde op een gratis Franse opleiding (nooit benut) en hemzelf het recht op een gratis taxirit naar een hotel ingeval van openbare dronkenschap (idem). Al op vierjarige leeftijd brachten mijn ouders mij voor een maand naar de Provence om op te knappen van een reeks winterziektes. En mijn eerste zelfstandige vakantie was een geheel verzorgde treinreis naar een (één)sterrenhotel in Parijs, waar de eigenaar mij uiteindelijk zelf maar van binnenuit liet zien dat het wc-licht aanfloepte als de deur op slot ging.

De Franse taal bleef een struikelblok. Een jaar conversatieles van mijn tante, waaraan ik niet kon ontsnappen, zette mij aanvankelijk op een flinke voorsprong. Die was op het gymnasium al snel weer verdwenen dankzij een didactiek die voorrang gaf aan het vertalen van dorre teksten over de oudheid boven het aanleren van een vlotte openingszin voor in het café. Zelfs een behoorlijke kennismaking met de Franse literatuur hield er ik niet aan over.

Ondanks die conversationele handicap werd Frankrijk een geliefde bestemming, met en zonder ouders. De Deux Chevaux, een auto van onverwoestbare functionaliteit, speelde daarbij een hoofdrol, zeker bij de vele halsbrekende heuvelopwaartse inhaalpogingen. En elk jaar weer voltrok zich tijdens het overtrekken van de Franse grens een klein wonder: het weer klaarde op, alles wat het leven de moeite waard maakt werd een stuk goedkoper, en op de achtergrond klonk Charles Trenet, begeleid door een zwierige accordeon. Joie de vivre.

Van de schoonheid van het Franse landschap en van steden als Parijs hoeft niemand te worden overtuigd. Dat geldt al net zozeer voor de Franse keuken, die nooit aarzelt een beroep te doen op boter, room en ander verleidelijke vetvarianten. Geen detail van de maaltijd is bovendien te min; de verrukkelijke ontbijtjam op de Franse ambassade wordt door de chef-kok zelf bereid. Naar verluidt is ten minste één kansrijke Nederlands-Franse fusie gesneuveld op de Franse ontsteltenis over de Nederlandse broodjeslunch. De Franse keuken blijft wereldwijd de maat der dingen, zelfs – zo ontdekte ik ooit tot mijn verbazing – in het Keizerlijk Paleis in Tokio. 

De bewondering voor alles wat Frans was strekte zich in eerste aanleg ook uit tot mijn wiskundestudie. Daar hoorde ik over het Bourbaki-project, een Franse poging om de gehele wiskunde weer eens van de grond af aan op te bouwen, met als hoofdrolspeler de later helaas ernstig verdwaalde wiskundige Alexandre Grothendieck. Maar toen stuitte ik ook voor het eerst op een negatief neveneffect van de zo begrijpelijke Franse zelfverzekerdheid: een hardnekkige voorkeur voor de eigen taal in de wereld van de wetenschap, waarin de lingua franca allang het Engels was geworden. Die introvertie is gebleven en leidt overal waar brede internationale samenwerking doorslaggevend is tot matige prestaties. Zo ontbreekt een toonaangevend Frans symfonieorkest en heeft de Franse film het ondanks Cannes en royale overheidssteun ook niet gemakkelijk. 

Het opmerkelijkst is de introvertie binnen de hardnekkig francofone wetenschap, waar de universiteiten in hun onderwijstaak ook nog eens moeten concurreren met de zeer selectieve Grandes Ecoles, en in hun onderzoekstaak met de grote nationale onderzoeksinstituten. In dit unieke hogeronderwijssysteem hebben de Grandes Ecoles de taak om de toekomstige publiek-private elite als één grote vriendenkring voor te bereiden op het besturen van staat en economie. Dat biedt onmiskenbare voordelen, zoals iedereen weet die Frankrijk zijn Europese belangen in Brussel heeft zien verdedigen. Aan de intellectuele kwaliteiten van de diplomaten en de directeuren hoeft nimmer te worden getwijfeld; het klimaatverdrag van Parijs is geheel op rekening van de eerstgenoemden te schrijven. Toch schuilt in die publiek-private verstrengeling wellicht de oorzaak voor de achteruitgang in prestige en invloed die dit superieur geëquipeerde land de laatste vijftig jaar heeft moeten incasseren. In de intieme relatie tussen publiek en privaat ontstond een economie die niet overloopt van vernieuwingskracht en bovendien de last moet dragen van een loodzware verzorgingsstaat. Zelfs de huidige president lukt het niet om het evident onbetaalbare pensioensysteem eens flink op de schop te nemen. 

Frankrijk, Engeland, Duitsland, twee overwinnaars en één verliezer: wie staat er in Europa inmiddels het beste voor? Als ser-voorzitter bezocht ik mijn collega Jacques Dermagne, in eigen land derde in de presidentiële troonsopvolging (de huidige functionaris heet Thierry Beaudet). In het ruim bemeten hoofdkantoor van de Conseil Economique, Social et Environnemental aan de Place de Iéna werd een andere handicap van Frankrijk zichtbaar. Het principe van de laïcité, de strikte scheiding van kerk en staat, bemoeilijkt sinds jaar en dag de ontwikkeling van minderhedenbeleid, tot op het niveau van hun administratieve registratie. Als zoethoudertje kregen alle minderheden eigen vertegenwoordigers in deze omvangrijke en daardoor weinig daadkrachtige adviesraad. 

Maar de tweehonderddrieëndertig leden hebben verder weinig te klagen. Toen ik aan het eind van de ochtend, ver weg van de naargeestige banlieus en voorafgegaan door een huissier in rokkostuum, het fraaie paleis betrad, zweefde mij een vertrouwde geur tegemoet: het aangename aroma van een met liefde bereide Franse lunch. 

Filed Under: Uncategorized

Bosnië (met Jan Hoekema)

12/09/2022 By Alexander

Spanningen tussen Servië en Kosovo met Rusland op de achtergrond: het blijft onrustig op de Balkan. Een recent bezoek dat wij brachten aan Bosnië-Herzegovina illustreerde dat ook deze fragiele staat nog een lange weg te gaan heeft. Niet alleen vertoont Sarajevo nog vele sporen van oorlogsschade, maar ook de politieke vooruitgang is er minimaal. Elk jaar verlaten meer dan honderdduizend inwoners, veelal jong en getalenteerd, hun kleine land om hun geluk elders te beproeven.

De feestelijkheid van het recente filmfestival – de directe aanleiding voor ons bezoek – kon al deze zorgen niet verbloemen. De drie dominante politieke partijen (SDA, SNSD en HDZ, voor elke etnische stroming één) houden alle macht stevig in handen, en hebben zich genesteld in een schaamteloos cliëntelisme. Vehikel daarvoor zijn de ruim vijfhonderd staatsbedrijven, op één uitzondering na alle verliesgevend. Banen worden er toegewezen in ruil voor politieke loyaliteit, inclusief de bereidheid om stemmen te garanderen voor de lokale en nationale verkiezingen – met een door de kiezer in het stemhokje genomen foto als bewijsmateriaal. Ook de media zijn stevig in handen van het gevestigde belang. De door ons bezochte kleine liberale partij Nasa Stranka leverde onlangs wel een vrouwelijke burgemeester aan Sarajevo, maar is net zoals andere oppositiepartijen volstrekt niet opgewassen tegen al dit politieke geweld. 

Het is niet verrassend dat de nu al tien jaar durende toetredingsonderhandelingen met de EU traag verlopen. Maar liefst veertien dossiers, waaronder rechtspraak, transparantie en corruptie, wachten nog steeds op afwikkeling. De toetredingscriteria van Kopenhagen staan niet ter discussie, maar als Balkanstaten als deze buiten de speciale politieke wachtkamer worden gehouden die nu wordt ingericht voor Oekraïne en Georgië, zal dat de zwakke Bosnische beweging die strijdt voor politiek fatsoen nog verder ontmoedigen.

Wat te doen? De oplossing is in ieder geval niet (nog) meer geld. De schitterende heropbouw van het stadhuis  van Sarajevo op kosten van Europa illustreert dat het aan financiële generositeit niet heeft ontbroken, en alle positieve beeldvorming rond die subsidies wordt bovendien dankbaar geïncasseerd door het zittende corrupte regime. De internationale gemeenschap is daar eerder over- dan ondervertegenwoordigd.

Maar Europa zou zich wel kunnen concentreren op eerlijke verkiezingen, met effectief toezicht op het geheim van het stemhokje. Het zou de ontwikkeling van onafhankelijke digitale media krachtig kunnen bevorderen. Een enkele moedige officier van justitie zou al een verschil kunnen maken. En Bosnische jongeren met een Europese studiebeurs kunnen financieel aangemoedigd worden hun toekomst in eigen land te gaan zoeken. 

Het zijn de jongeren die extra aandacht nodig hebben. Wij schrokken tijdens ons bezoek van de hardnekkige etnische vooroordelen onder een generatie op de Balkan die de Joegoslavische oorlogen van destijds niet eens bewust heeft meegemaakt. Dat het nationale geschiedenisonderwijs is uitgesplitst naar de herkomst van de leerlingen is daarvan een schrijnende illustratie. Er moet dringend een begin gemaakt worden met een verzoening tussen deze leeftijdsgroepen die uiteindelijk alle onderdeel willen uitmaken van een verenigd Europa. Nederland kan daaraan bijdragen door vanuit de gehele Balkan kleine groepen jongeren van gemengde samenstelling uit te nodigen voor een bezoek, en hen dan met elkaar in gesprek te brengen. 

De befaamde Engels-Duitse Königswinter conferenties ontstonden in 1950 vanuit het besef dat de verschrikkingen van de oorlog om een constructief vervolg vroegen in de relatie tussen de strijdende partijen van weleer. Vergelijkbare verzoeningsinitiatieven in de Balkan onder auspiciën van Europa zijn net zo belangrijk als de totstandkoming van volwaardige democratische rechtsstaten. Nederland is vanuit zijn historische rol in de regio bij uitstek een partij om daarbij voorop te lopen, en zou daarmee wezenlijk bijdragen aan het broodnodige herstel van normale democratische verhoudingen op de Balkan. 

Filed Under: Uncategorized

Ooit geleerd XX – Japan

12/09/2022 By Alexander

Ooit was Japan en niet China de grote economische rivaal van het Westen. Met behulp van Amerikaanse ideeën perfectioneerde het land na de oorlog zijn industriële productie, bracht het fabrieksvoorraden terug tot ongeveer nul en handhaafde het een ijzeren discipline onder lager en hoger personeel. Daarvan onder de indruk introduceerde de Erasmus Universiteit een studierichting Japankunde, die studenten naast enige taalvaardigheid vooral leerde hoe het moderne Japan was georganiseerd. Samen met Joop Stam, de onvermoeibare voortrekker, bezocht ik zo Japan voor het eerst, om de banden met de bevriende Keio Universiteit wat nader aan te halen. 

Het was een openbaring. De universiteit onderkende zich de mindere van de Universiteit van  Tokio (Todai), waar studenten zich na een halsbrekend toelatingsexamen op weg wisten naar de maatschappelijke top en het verder rustig aan deden. Maar de campus van de Keio Universiteit was prachtig gelegen en verleidde tot een eerste kennismaking met Tokio, ook toen al een combinatie van historische élégance en eigentijdse flair. 

Kort daarna, in 1990, bezweek de Japanse economie aan krankzinnig opgelopen beurskoersen en huizenprijzen; de vierkante mijl in het hartje van Tokio was evenveel waard geworden als al het onroerend goed in Canada tezamen. Dertig jaar later is de daaropvolgende economische stagnatie nog steeds niet overwonnen, niettegenstaande een permanent zeer lage rente (rond de nul procent) en een zeer hoge staatsschuld (rond de tweehonderdvijftig procent). Alle pogingen om de zuinige Japanners tot consumptie aan te sporen liepen spaak, de ooit fameuze productiviteit loopt hard terug en Japanse vrouwen kiezen onverminderd voor het voltijds opvoe terwijl het kindertal sterk blijft dalen. 

Wie daaraan een omineuze voorspelling voor Europa ontleende, verkeert in breed gezelschap. Maar naast alle overeenkomsten springen vooral de grote verschillen in het oog. Zelfs in de probleemvolle jaren negentig bleven de strakke sociale discipline en de naar binnen gerichte cultuur van Japan onberispelijk overeind. Van armoede was geen spoor te bekennen, en westerse bezoekers mochten bij brede ontstentenis van vreemde-talenkennis nog steeds rekenen op veel welwillend gegiechel. Gelach wijst in Japan immers net zo vaak op spanning als op ontspanning. 

In die periode verbleef ik voor het eerst in een ryokan, een Japanse herberg die rust op eeuwenoude tradities. Nadat ik mijzelf in een kimono had gestoken en sandalen had aangeschoven begon deze onvergetelijke ervaring met een bezoek aan het (gemengde) collectieve bad, waar mijn Nederlandse metgezellen en ik pas na grondige zelfreiniging ingleden, discreet verscholen achter minuscule handdoekjes. Binnen de kortste keren herinnerden onze Japanse badgenoten zich desondanks dringende verplichtingen elders en hadden we het rijk alleen. Dat isolement hield aan gedurende het gehele verblijf: tijdens het kleurrijke, exquise diner, tijdens het exotische ontbijt en tijdens de ongestoorde nachtrust daartussenin, in wonderlijk comfort op een flinterdun matrasje op de grond. Wel viel tot onze verrassing in de geheel uit essenhout en rijstpapier opgetrokken kamer ineens een stapel hardcore pornovideo’s uit een kastje, qua inhoud goed vergelijkbaar met de geschriften waar we later onze mannelijke medepassagiers in de Tokiose ondergrondse op betrapten. 

Een verfijnde cultuur met elementen van onverwacht rauwe hardheid. Een land als Japan dat zich eeuwenlang in isolement ontwikkelt (met Nederland als enige internationale handelspartner) kan welhaast niet ontsnappen aan introversie en protectionisme. Rondreizend door Japan als gast van de nationale overheid zag ik die niet alleen weerspiegeld in politiek en economie, maar ook in de stress van het dagelijks leven, in het extreem zorgvuldige eten en drinken bijvoorbeeld (geen enkele andere rijst dan Japanse) en in een voorliefde voor verregaande voorspelbaarheid. Een enkele treinreis per shinkansen volstaat om het laatste te illustreren: op de seconde nauwkeurig komt de hogesnelheidstrein precies tot stilstand bij de afgesproken perrontegel. Het is een feest voor de toerist die niet hecht aan improvisatie en die zich de peperdure horeca kan veroorloven: wie even niet oplet belandt al snel in vier- of vijfcijferige bedragen (in euro’s) maar weet zich dan ook vertroeteld en verwend, onder meer door de spectaculaire toilettechnologie die voorziet in alle denkbare vormen van zitvlakonderhoud.

En ook verder valt er veel te beleven in het Land van de Rijzende Zon. Tempels en schrijnen, van Fukuoka tot Sapporo, tonen zich van hun fraaiste kant onder lentebloesem of herfstblad, maar intrigeren in alle jaargetijden door de genadeloze perfectie van hun zen-tuinen. Musea aarzelen niet om te pronken met schitterende voorbeelden van de nationale schilder- en beeldhouwkunst, wat de kennismaking met het dramatische Japanse landschap tot een dubbel feest maakt. Het kabuki-theater en de sumoworstelring leveren mooie momenten op van culturele vervreemding. Winkelpersoneel treedt buigend aan en voorziet elke aanschaf van een volmaakte verpakking waar geen plaksel of lintje aan te pas komt. En witgehandschoende taxichauffeurs voeren elke (liefst schriftelijke) opdracht vlekkeloos en eerlijk uit, en kennen de weg in steden waar de huizen louter in volgorde van ontstaan en niet naar locatie zijn genummerd.

Voor een cultuur die – op zijn zachtst gezegd – niet uitblinkt in relativeringsvermogen blijven de onvolkomenheden in eigen verleden lastig te verwerken. Worden de relikwieën van de atoombom op Hiroshima nog ondergeschikt gemaakt aan sympathieke oproepen tot wereldvrede, in Tokio is een particulier museum te vinden dat de Japanse agressie in de Tweede Wereldoorlog laconiek rechtvaardigt als ‘afgedwongen door grondstoffenschaarste’ – en een gesprek daarover wordt niet aangemoedigd. Oorlogsvoering is bij grondwet verboden, maar het Japanse leger is het vierde ter wereld en grondig voorbereid op elke vorm van zelfverdediging. 

Wie van buiten komend belandt in een toezichthoudende rol, zoals mij overkwam, ontdekt al gauw dat betrokkenheid wordt gewaardeerd, maar spontaniteit niet. Onverwachte vragen leiden tot nervositeit, verrassende ideeën worden het liefst toch maar even aangehouden. Vergaderingen beginnen en eindigen op tijd. Carrièresprongen van bedrijf naar bedrijf zijn schaars. En hoewel gezichtsverlies het ergste is wat een mens kan overkomen, neemt iemand die heeft geblunderd met diepe excuusbuigingen vol schaamte onmiddellijk ontslag. 

We leven in de eeuw van Azië. Landen als Japan, China en Vietnam laten zich niet meer snel overdonderen door westerse manieren en methoden. Nu ambitieuze ouders op Manhattan hun jonge kinderen trakteren op taalcursussen Mandarijn en Chinese studenten uitzwermen over de wereld, verdienen opleidingen als Japankunde een serieuze herkansing.

Filed Under: Uncategorized

  • « Previous Page
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • …
  • 19
  • Next Page »